De parochie Losser is in zijn oudste vorm een kapel geweest die bediend werd vanuit Oldenzaal. In 1262 wordt in oude documenten Losser aangegeven als "villa lothere" (= buurtschap Losser), terwijl in latere vermeldingen, achtereenvolgens 1280 - 1298 - 1304 - 1340 -1353 Losser wordt aangeduid als "parochie losser". Zeker is, dat in 1352 Losser een zelfstandige parochie was, hetgeen blijkt uit een pandbrief aan Jan van Arkel, bisschop van Utrecht, waarbij den Hof van Varwick in De Lutte en den Hof van Losser verpand werden aan de graaf van Solms, heer van Ottenstein. In dit stuk wordt losser aangeduid als kerspel.
Het oudste bouwkundige monument dat in Losser de herinnering levend houdt aan dit kerspel is de St. Martinustoren in de volksmond "De Oude Toren" genoemd.
Het juiste bouwjaar is helaas niet bekend. Serieuze speculaties, gegrond op statische kenmerken, algemene indruk en materiaalgebruik, bestrijken een ruim tijdvak, nl. 14e/15e eeuw.
In 1597 wordt Oldenzaal door de Staatse troepen ingenomen en in 1598 dringt de classis van Deventer aan op officiële invoering van de gereformeerde godsdienst. De kerk wordt door prins Maurits aan de hervormden toegewezen en zij wordt bediend door de Enschedese predikant Phybo Ovitius, die de in 1597 overleden pastoor Laurens van Arnhem opvolgt.
Als in 1605 de Spaanse troepen onder aanvoering van Spinola Twente weer grotendeels onder Spaans bewind hebben gebracht, moet de in 1602 aangestelde predikant Valerius Rostrop, die de kerk bediende in combinatie met Denekamp, vluchten. In 1618 wordt Hermannus Wellemeiers in Losser beroepen als schoolmeester en predikant; hij geniet maar kort van zijn ambt want met kerstmis van hetzelfde jaar ziet de Oldenzaalse pastoor die hier het collatierecht bezat kans hem uit zijn bediening te verdrijven - de arm van de classis en zelfs die van de Drost van Twente schoot kennelijk tekort.
In 1665 moesten de Zusters van het St. Catharijneklooster in Almelo de deuren sluiten. Een financiële vergoeding van de Graaf van Almelo deed rector Herman ter Hoente een uitweg vinden over de grens bij Losser. Hij kocht de schuurkerk met nog meer grond van Boer Glaneman en bouwde er een nieuw klooster, genoemd "Maria Vlucht".
>
De katholieken van Losser en Lonneker kregen hier hun kerk. Ze konden er dopen en trouwen, het oudste doop- en trouwboek stamt uit 1716.
Door Ernst Willem Graaf van Bentheim, werd ook kerk gehouden op de Ravenshorst in de Bardel en in boerderij Thebelt, gelegen in het buurtschap Achterberg bij Gildehaus. Dit was hoofdzakelijk voor bewoners uit de Lutte.
De bisschop van Münster heeft langs de grens vele missiestations gesticht o.a. klooster Zwillbrock, doch de katholieken van Losser hebben zelf voor een parochiekerk gezorgd.
Op 23 september 1665 brandde het in Losser. Een spion van het leger van Bisschop Bernhard von Galen werd, als marskramer verkleed, naar Losser gestuurd om te kijken of er ook Staatse troepen waren. Als teken dat de kust veilig was, stak hij een schuurtje in brand op de Kostersgaarden maar door de harde wind sloeg het vuur helaas over de op de strodaken van enkele huizen in het achterdorp. Een dakbedekking van pannen kende men niet, althans men had er geen geld voor.
Door een "Trosbube" (= jonge jongens die voor de keukens van het leger de zgn. vuurpotten droegen) werd een brandend stuk hout in de toren geworpen. Het door de bewoners van Losser opgeslagen beddegoed, vatte vlam en de toren brandde geheel uit, inclusief de klokkenstoel. De kerk kreeg weinig schade. De brandstichting was geenszins de bedoeling van de legerleiding, de daders werden terechtgesteld achter de nu aanwezige Bleek, met de bijnaam "het Galgenveld".
Na de brand van Losser gaven praktisch alle steden in Overijssel zich zonder slag of stoot over. Daar de Engelsen hun financiële verplichtingen jegens Bernhard von Galen niet gestand deden, kregen de troepen geen soldij en sloegen aan het plunderen, een normaal verschijnsel in die tijd, en daardoor zag Bernhard von Galen zich gedwongen in 1666 de vrede van Kleef te ondertekenen en de veroverde gebieden te ontruimen.
Reeds in september van dat jaar, vijf maanden na het tekenen van de vrede, werd de eerste van de drie nu nog aanwezige klokken gegoten op het zgn. "klokkenstuk", vermoedelijk gelegen aan de westkant van de voormalige banketbakkerij Smit. Dit wijst erop de restauratie van kerk en toren dan al nagenoeg voltooid zijn en zij gaan een periode van betrekkelijke rust tegemoet na de woelige tijd van de 80-jarige oorlog.
In de winter van 1895 als Franse vrijheid, gelijkheid en broederschap ons ten zegen worden, wordt de kerk ingericht als opslagplaats voor paardenvoer en paardenstal. Op grond van additionele artikelen, voortvloeiend uit de nieuwe staatsregeling van 1798, moesten de hervormden na jarenlange touwtrekkerij op 1 januari 1810 de kerk aan de katholieken afstaan, omdat deze. godsdienst de grootste bevolkingsgroep vertegenwoordigde.
De Toren kwam in 1798 in bezit van de Gemeente en de hervormden bouwden toen hun Waterstaatskerk aan het Raadhuisplein, die geopend werd op 23 december 1810. In 1904 werd R.K. kerk helaas afgebroken (achter de Oude Toren). De kerk verkeerde in een zeer slechte bouwkundige staat. De toren bleef staan, in alle soberheid getuigend van het godsgeloof dat eeuwen geleden mensen bewoog hun kerk te bouwen en dagelijks vertelt hij voor wie er oor voor heeft de geschiedenis die u zojuist hebt gelezen.
De St. Martinustoren
De St. Martinuskerk te Losser
Bouwtechnische bijzonderheden
De toren die een hoogte heeft van 22 meter is opgetrokken uit baksteen, met toepassing van zandsteen uit de naburige Bentheimer of Gildehauserzandsteengroeven, o.a. voor plinten, hoekblokken, buitenoptreklijsten en afdekking van zadeldakgevels en andere constructieve delen. De plattegrond van de toren is nagenoeg vierkant.
De fundering rust gedeeltelijk op grote veldkeien. Van de bouw is te zien dat het een verdedigingstoren geweest is. Aan de zuidzijde bevindt zich een rechthoekig uitbouwsel met lezenaarsdak, waarin zich het steile wenteltrapje naar boven bevindt. In het rondbogige galmgat bevindt zich een sluitsteen met het jaartal 1637.
De oostgevel vertoont nog het oorspronkelijke profiel van de kerk in haar oudste vorm, als ook dat van de in 1887 vergrote kerk. De uitsparingen in de Oostmuur geven de zgn. aanzetten voor het kerkgebouw aan. In de Noord- en Zuidmuur zijn ter hoogte van de klokkenkamer galmgaten aangebracht van ruim 2 meter hoog en 1 meter breed.
Het torendak is gedekt met blauwe geglazuurde pannen; torenkruis en weerhaan staan op de top van de westgevel. Vermoedelijk heeft de toren in zijn oorspronkelijke vorm vóór de brand van 1665, een trapgevel gehad. Dit vermoeden steunt op het gegeven dat nagenoeg alle torens van gelijk model en gelijke datering voorkomen in het aangrenzende Münsterland, gesierd zijn met trapgevels.
De contouren van de afgebroken kerk zijn nog aangegeven in het plaveisel van het omliggende marktplein.
Het interieur van de toren
Via de toegangsdeur aan de Westzijde, die zich in de ruim 1,45 meter dikke torenmuur bevindt, komt men de toren binnen. In de toren zijn de restanten van een kruisribgewelf zichtbaar. Deze kwamen te voorschijn bij de restauratie in 1954. De vloer is geplaveid met zandsteenblokken van ongelijke afmeting.
De deur rechtsachter geeft toegang tot de stenen wenteltrap naar boven.
Op de eerste zolder bevindt zich de uurwerkkast met daarin het handgesmede uurwerk uit het jaar 1666. Ruim drie eeuwen heeft dit solide werkstuk in Losser de tijd aangegeven. Het uurwerk had tot 1954 slechts één wijzer die de tijd aangaf, de juiste tijd vaststellen was dan ook een kunst, maar wel authentiek.
Naast de uurwerkkast bevindt zich in de Oostmuur een opening, afgesloten door een deur, waardoor men eertijds de gewelven van de kerk kon betreden.
Aan de Westmuur van de uurwerkzolder hangen nog enige stukken uit het verleden, te weten: de uurwerkwijzer die van 1666 tot 1954 de tijd aangaf, de twee houten katrollen, die de zandstenen uurwerkgewichten torsten die vanaf 1666 tot 1962 het uurwerk draaiende hielden en het smeedijzeren kruis met windvaan, dat tot de afbraak van de kerk in 1904 de nok van het gebouw sierde.
Via een houten trap komt men vervolgens op de klokkenzolder, waar. zich de drie klokken van de beroemde klokkengieter, de Elzasser Jan Fremy bevinden; alle drie klokken zijn opgehangen in eikenhouten klokkenstoelen.
Vóór de restauratie van de toren in 1954-55 bevond zich alleen aan de zuidkant een tijdaanduiding . Bij de restauratie werd ook de noordzijde van een wijzerplaat voorzien en werd wijzerverlichting aangebracht.
De klokkenzolder en ook de zolder van de eerste verdieping zijn zgn. roosterzolders d.w.z. zolders met ruime openingen tussen de zolderplanken. Hierdoor kunnen. de trillingen bij het luiden van de klokken een betere uitweg vinden en wordt de klokkenklank minder geïsoleerd.
De hoogste zolder wordt hoofdzakelijk benut voor het uitsteken van de Nederlandse driekleur op nationale feestdagen; daartoe is een ronde opening in de westgevel aangebracht.

De Klokken De oudste klok is in 1666 gegoten en weegt 725 kg; ze heeft een middellijn van 105 cm. Het is de zgn. "brandklok", die vroeger bij brand geluid werd. Deze klok draagt het volgende opschrift:
(Vert.: Zoals ik door mijn luiden de levenden in Losser samenroep zo beween ik de velen die in de Heere sterven).
en:
(Vert.: Theodorus Froen dienaar van Christus in Losser)
Aan de ene zijde Is een kruis afgebeeld, waaromheen het jaartal 1666 staat en aan de andere zijde staat een madonna met kind en nog de tekst:
(Vert.: Jan Fremy heeft mij gemaakt).
Kinderklok
De kleinere of "kinderklok" is in 1667 gegoten, heeft een middellijn van 86 cm en weegt 370 kg.
Zij draagt het. volgende opschrift:
OMNIBUS OFFERTUR DIVINI GRATIA VERBI ILLID QUE RETINET CORDE BEATUS ERIT.
ChlstVs est saLVator MVnDI (= 1667)
Vert.: Allen wordt de genade van het goddelijk woord geboden. Hij die het in zijn hart bewaart zal zalig worden. Christus is de redder der wereld.
Middagklok
De middagklok is niet in 1676 gegoten zoals op de klok vermeld staat, maar in 1667 en heeft een middellijn van 121 cm, weegt 940 kg en draagt het volgende opschrift:
(Vert.: Ik leef voor U en sterf voor U, allerliefste Jezus. Dood en levend ben ik en blijf ik de Uwe. Wees het leven gedachtig bij Uw sterven dan zult ge een goede dood hebben. Wees de dood gedachtig tijdens Uw leven, dan zult ge goed leven.
Ik roep de levenden samen met mijn luiden, ik beween de stervenden).
Op het lijf komt van de ene zijde een engelenkop voor als middelpunt van een kruis, dat gevormd wordt door rankfriezen. Om dit kruis staat:
(Vert.: Zegel van de kerk van Losser.)
Aan de andere zijde komt een medaillon voor met kruis, anker en bloem en de tekst: Jan Fremy me Fecit (Jan Fremy heeft mij gemaakt.) en daaronder Ao 1676.
De naam "kinderklok" gaf aan, dat deze klok gebruik werd bij het verluiden van overledenen beneden de 7 jaar en wel in combinatie met de grote klok. De grote klok en de brandklok lieten hun stemmen horen bij het verluiden van overledenen ouder dan 7 jaar.
Alle drie klokken werden geluid als aankondiging van hoogtijdagen te weten Pasen, Pinksteren, Kerstmis en ook in de oudejaarsnacht ter verwelkoming van het nieuwe jaar.
Sedert september 1666 liet men de klokslag op het hele en halve uur horen ten teken dat de tijd niet stil staat.
In 1883 was de toren bouwvallig en in de vorige eeuw is het bouwwerk verschillende keren ternauwernood aan "sloopgevaar" ontsnapt; de heilloze plannen van een te autoritaire burgemeester vonden gelukkig geen doorgang. In 1954 gaf het gemeentebestuur Monumentenzorg de opdracht over te gaan tot restauratie. Onder architectuur van Egbers en Horsten voerde het aannemersbedrijf Huetink en Van Lith uit Winterswijk de werkzaamheden uit.
De toren is in 1982/1983 voor het laatste gerestaureerd door aannemersbedrijf Bulthuis. De brandklok en de kinderklok klonken vals, vanwege barsten, daarom kwamen er in 1991 twee nieuwe klokken voor in de plaats. Dit waren afgietsels van de oude modellen uit resp. 1666 en 1667. De twee oude klokken zijn nu te bewonderen in de hal van het gemeentehuis.
En zo bleef in het midden van ons dorp dit oude monument bewaard, eng verbonden met de geschiedenis van het dorp en eigendom van allen.

Openingstijden:
Dinsdag, woensdag en vrijdagmiddag om klokslag 14.00, 15.00 en 16.00 uur zijn er rondleidingen in de maanden Mei, Juni, Juli en Augustus.
Buiten bovengenoemde uren in overleg met de heer J. Poorthuis, tel. 5385623.




