Een geologisch natuurmonument op de Losserse Es
W.F. Anderson
De 22e mei 1968 is een voor in de geologie belangstellenden zeer gedenkwaardige dag geworden, waarop ons land weer een van de slechts schaarse geologische natuurmonumenten en Twente een imposante toeristische attractie rijker is geworden.
Op die dag werd onder grote belangstelling het borstbeeld van dr. W.C.H. Staring, de vader van de Nederlandse geologie die leefde van 1808 tot 1877, door mr. A. Staring uit Vorden, kleinzoon van dr. W.C.H. Staring, onthuld.
Tevens was vanaf de 22e mei '68 de naast het monument gelegen groeve, waar de Gildehauser zandsteen door afgraving was blootgelegd, als Geologisch natuurmonument voor het publiek opengesteld.
Voorafgaande aan de onthulling van het borstbeeld spraken achtereenvolgens burgemeester J.P.A.M. van de Sandt van Losser, de heer W.F. Anderson in zijn functie, van secretaris van de Nederlandse Geologische Vereniging, dr. A.A. Thiadens, directeur van de Rijks Geologische Dienst en dr. ir. F.W.G. Pijls, directeur van de Stichting voor bodemkartering, de aanwezigen toe.
De vele verdiensten van dr. W.C.H. Staring voor de geologie en de landbouwwetenschap werden in de toespraken nog eens beklemtoond. Naast de lof die ook de overige sprekers de heer W. F. Anderson voor diens initiatief en doorzettingsvermogen toezwaaiden, zegde burgemeester Van de Sandt toe, dat de naam W.F. Anderson, op een bronzen plaat zou worden aangebracht.
Na het officiële gedeelte kwamen gastheren en genodigden -onder wie een grote groep geologen voor de Fruhjahrstagung in Nordhorn bijeen -in het nieuwe hotel-restaurant 'Erve Leusink', tezamen, waar onder meer nog een aantal geologische vondsten waren tentoongesteld. Hier werd ook een brochure uitgereikt waarvan de inhoud hier volgt.

De Losserse Es
Een gewone Twentse es, waarop tot voor kort nog de verbouw van rogge, aardappelen en stoppelknollen plaats vond. Uit een topografische kaart van 1830 blijkt dat de es toen in percelen verkaveld was, waarvan de verschillende eigenaren in het dorp Losser woonden. De es zelf was niet bewoond maar werd naar het westen begrensd door de boerenerven Zweerink, Boerrigter, Deppenbroek, Loisman en Wigger. De Hoge weg en de Eschweg (later Gronausestraat geheten) bestaan dan reeds. Omstreeks 1880 begint de bebouwing. De Gronausestraat wordt langzamerhand over de gehele lengte bebouwd, terwijl ook langs de Hoge weg enkele huizen worden geplaatst. In 1902 wordt ook de nieuwe R.K. kerk gebouwd.
In 1850 wordt aan de Hoge weg door de heer KeIlerhuis een korenmolen gebouwd die met zijn zwaaiende wieken te midden van de hoog gelegen korenvelden een prachtige aanblik vormde. Helaas viel hij de voortschrijdende techniek ten offer.
Hij kwam omstreeks 1932 stil te liggen, raakte steeds meer in verval en werd ten slotte afgebroken. Dit alles, hoe belangwekkend ook uit historisch oogpunt, onderscheidt deze plek echter in niets van vele andere fraaie essen in Twente, ware het niet dat hier, vlak onder de akkeraarde, oeroude aardlagen aan de oppervlakte komen, die men nergens elders in Nederland te zien kan krijgen. Het zijn zandsteenlagen behorende tot een afdeling van de Onderkrijtperiode, het z.g. Hauterivien, met een ouderdom van naar schatting 130.000.000 jaren. De aanwezigheid van de zandsteen maakt zich bemerkbaar door de vorm van het landschap, als een hoogte in het terrein van een langgerekte ovale gedaante met een lengte van 1300 meter en een breedte van 400 meter. De lengteas wordt gevormd door de Hoge weg, die de top van de opwelving volgt. Staande bij het Staringmonument zien we een straat naar het westen dalen in de richting van het erve Nietert (vroeger Boerrigter). De helling naar het oosten kan men waarnemen doordat de Staringstraat afdaalt in oostelijke richting. Door egalisatiewerkzaamheden ten behoeve van het uitbreidingsplan van de gemeente Losser is echter reeds een deel van de karakteristieke terreinvorm verloren gegaan. De bebouwing maakt thans snel voortgang en weldra zal er van de Losserse es in zijn oorspronkelijke toestand niets meer te zien zijn.
Verplaatsen wij ons in gedachten naar het jaar 1844. In die tijd toen er van kunstmest nog geen sprake was, is er een algemeen streven bij de meer ontwikkelden, de vruchtbaarheid van landbouwgronden te verhogen door een bemesting met kalkmergel. Deze zo begeerde grondstof wordt ook in het naburig Munsterland toegepast en hiertoe werd Wealdenkalk bij Lünten gedolven. Het was de pasbenoemde burgemeester van Oldenzaal en Losser, de heer C. W. Eekhout, die deze mergel in zijn gemeente ontdekte, in de buurt van de Glanerbeek. Maar dat niet alleen. Op de Losserse es waren hem op de op heuvel verspreid liggende zand steenbrokken opgevallen en hij had reeds getracht met behulp van een aardboor te weten te komen, wat er zich in de diepere ondergrond bevond. In 1843 had dr. W.C.H. Staring, onze eerste Nederlandse geoloog, een voorlezing gehouden voor de 'Overijsselsche vereeniging van Provinciale welvaart' met als onderwerp: 'De Aardkunde en de Landbouw van Nederland'. Dit was voor bovengenoemde vereniging aanleiding om aan Staring de vererende opdracht te geven, een onderzoek in te stellen naar de geologische toestand van Twente en Vollenhoven. Toen Staring op zijn reis door Twente in Losser arriveerde kon burgemeester Eekhout hem reeds een proefpunt van ongeveer 3 meter diep tonen. Staring zegt in zijn beschrijving van de Losserse es dat deze aan de oostzijde wordt begrensd door een vlak heideveld. 'Aan de overzijde vloeit de Dinkel, met haar zandige oevers, en scheidt Losser af van de groote Ravenhorster vlakte, die nog niet lang geleden een uitgestrekt hoogveen vormde. Aan den overkant dezer vlakte verheffen zich plotseling de hooge Molenberg van Gildehaus en daar achter de Bentheimsche rots. Op den Losserschen esch staande en, over dat voormalige veen henen, op Gildehaus ziende, voelt men zich gedrongen om deze beide hoogten te vergelijken met twee in zee vooruitstekende kapen'. Op bijgaand profiel kunt u zien hoe logisch het was te veronderstellen dat onder de Losserse es wel eens (onder de poreuze en daardoor als bouwsteen ongeschikte Losserse zandsteen) de waardevolle Bentheimer zandsteen verborgen zou kunnen liggen, de steen, waaruit in Nederland zoveel kerken en andere gebouwen zijn opgetrokken.
Staring die dadelijk het belang van de vondst van burgemeester Eekhout inzag, adviseerde de Vereniging tot ontwikkeling van de provinciale welvaart gelden bijeen te brengen ten einde een onderzoek mogelijk te maken. Dit gelukte en op 27 juli 1846 kon met het onderzoek worden begonnen. Het eerste onderzoek werd gedaan op de plaats waar de straat naar Overdinkel zich afsplitst. Men ondervond veel last van water en besloot het nog eens te proberen in de buurt van het erve Nietert, 380 el in n.w. richting van de eerste groeve. In november werd uit de tweede put, die toen een diepte had van ruim 30 voet en een doorsnede van 8 a 10 voet, een zerk gehakt van ongeveer 2500 oude ponden, die naar Zwolle werd gezonden. Hierna werd het werk gestaakt. Het geld was op en overlast van water maakte het bovendien noodzakelijk het werk stil te leggen.
Op 7 december 1855 schreef W.C.A. Staring, referendaris op het Ministerie van Binnenlandse Zaken, die de zaken van de geologische commissie behartigde, aan W.C.H. Staring: 'Waarde broeder, Eekhout zit verlegen met zijn gat in de grond te Losser en wenscht het voor 80 gulden, dezen winter, te doen digten. Vindt gij niet, dat wij daartoe moeten overgaan?' Veel geld, als men bedenkt dat een dagloner in die tijd een lange dag werkende, tussen de 0,50 en I gulden verdiende. Was dus het onderzoek economisch op een mislukking uitgelopen, wetenschappelijk had Staring een voorbeeldig onderzoek gedaan, waarvan hij in 1853 een verslag gaf getiteld: 'De steen van Losser in Overijssel' in het 1e deel der verhandelingen uitgegeven door de 'Commissie voor de Geologische Beschrijving en Kaart van Nederland'.
De beschrijving van het gesteente en de daarin voorkomende fossielen is zo voortreffelijk, dat ze nu na ruim honderd jaar nauwelijks te verbeteren is.
Na aldus de bijzondere relatie tussen Staring en het dorp Losser geschetst te hebben, willen wij in het kort iets vertellen van deze eminente geleerde en grote vaderlander. Een proefschrift, aan hem gewijd, van de hand van ir. J.G. Veldink, is in de loop van 1969 verschenen.
Op velerlei gebied heeft Staring baanbrekend werk verricht en de eerste impulsen gegeven, zodat zijn beeld eigenlijk nimmer bij ons verflauwd is. Hij werd geboren op 5 oktober 1808 op het landgoed de Wildenborch te Vorden als vijfde kind van mr. Antoni Christiaan Winand Staring en diens tweede echtgenote Johanna Andrea Charlotte van der Muelen. Ook thans nog gaat er van het landgoed de Wildenborch een weldadige en inspirerende rust uit en het lijdt dan ook geen twijfel dat de jonge Staring hier een heerlijke jeugd moet hebben gehad, in een gezellig en ontwikkeld huiselijk milieu. Zijn vader, de beroemde dichter en landbouwkundige en ook zijn moeder gaven hem het eerste onderricht, omdat de scholen slecht en te afgelegen waren. Al vroeg ontwikkelde zich bij hem een uitgesproken voorkeur voor plant- en dierkunde. Ook de omgang met boeren en tuinlieden zocht hij gaarne, wat voor hem later van grote betekenis zou blijken te zijn.
Hierdoor leerde hij niet alleen hun omstandigheden kennen, maar ook de taal spreken waarin hij ze het best kon benaderen. Hij had reeds vroeg een sterke neiging tot onderzoek en de behoefte om zijn aldus verworven kennis aan anderen mede te delen op een voor hen gemakkelijk te begrijpen wijze. Als kind schreef hij reeds een 'Nuttig leerboek voor de jeugd'.
In 1820 wordt hij naar een kostschool in Nijmegen gezonden. Vervolgens bezoekt hij in 1822 de Latijnsche school in Zutphen. In september 1827 wordt hij als student in de rechten te Leiden ingeschreven op wens van zijn vader, die hem gaarne jurist wil zien worden. Daar zijn hart echter veel meer naar de natuurkennis en natuurwetenschappen uitgaat, houdt hij niet op er bij zijn vader op aan te dringen om toestemming, zich naar de filosofische faculteit te laten overschrijven. Zijn vader stemt toe. Een onbaatzuchtig besluit,want de doctorsbul mathesis et philosophiae naturalis is in die dagen, in maatschappelijk opzicht, een vrijwel waardeloos papier. In 1829 wordt aan de Gentse hogeschool een zoologische prijsvraag uitgeschreven. Deze prijsvraag wordt door Staring gewonnen. Door de Belgische omwenteling kan hij echter nimmer de aan de prijsvraag verbonden gouden penning in ontvangst nemen. Hij neemt in 1831 deel aan de tien-daagse veldtocht en aan de gevechten bij Beringen en Hasselt. Teruggekeerd hervat hij de studie en verkrijgt op 6 december 1833 de graad van doctor 'in mathesi et philosophia naturali' op een proefschrift getiteld 'Specimen academicum de geologia patriae'.
Staring krijgt het hoogste judicium waarover de Senaat kan beschikken. Het heeft tot 1952 geduurd vóór dit in Leiden opnieuw voor een geologische dissertatie werd gegeven. Hoewel hij gaarne voor natuurkundige onderzoekingen naar Indië wil gaan, is zijn aanwezigheid op de Wildenborch dringend gewenst, om het bestuur van het landgoed op zich te nemen. Nu legt hij zich toe op de studie van de landbouwwetenschap, een wetenschap waarover, evenals over de geologie, in die tijd nog haast niets degelijks in ons land geschreven is. Op 12 juli 1838 huwt hij met Catharina Arnoldina Christina van Loben Seis en hij vestigt zich in dat jaar in Lochem. Acht jaar later, in 1846, gaat hij daarna het landgoed de Boekhorst bewonen. Onder dit alles heeft hij de studie van de geologie niet vergeten. In 1837 schrijft hij over de geologie van Eibergen. Verschillende tijdschriften ontvangen artikelen over geologische onderwerpen van hem. Het is overigens onmogelijk in dit korte bestek slechts bij benadering de kundigheden en werkzaamheden van Staring te schetsen. Enige korte gegevens laten wij hier nog volgen.
- 1840
- Benoeming tot griffier van het Kantongerecht te Lochem.
- 1844
- Proeve eener geologische kaart der Nederlanden.
- 1845
- Artikelen en voordrachten over Landbouwkundige onderwerpen.
- 1846
- Eerste Landbouwhuishoudkundig congres te Zwolle.
- 1847
- Oprichting Geldersche Maatschappij van Landbouw.
Verschijning 1e nummer van de Algemeene Landhuishoudelijke Courant.
Plan tot oprichting van een Landbouwhogeschool. - 1848
- Eerste Almanak voor den Landman.
- 1849
- Lid Provinciale Staten van Gelderland.
- 1851
- Gedelegeerde der Nederlandse Regering op de eerste wereldtentoonstelling te Londen. Raadslid te Laren.
- 1852
- Directeur der Vereniging voor Volksvlijt.
- 1852- 1863
- Verblijf te Haarlem. Het standaardwerk 'De Bodem van Nederland' wordt geschreven. In het paviljoen te Haarlem een collectie van 8000 stuks geologische voorwerpen aangelegd. De geologische kaart van Nederland 1 : 200.000 voltooid. De kaart werd op de wereldtentoonstelling van Londen in 1869 met goud bekroond.
- 1863
- Benoeming tot Inspecteur van het Middelbaar en Landbouwonderwijs. Oprichting van Hogere Burgerscholen.
- 1870
- Opnieuw benoemd tot lid van de Provinciale Staten van Gelderland.
- 7 juni 1877
- Overleden te Lochem na een rijk en welbesteed leven.
Toen in 1965 duidelijk werd dat de Losserse es geheel bebouwd zou worden, hebben enige liefhebbers der geologie zich beraden over de mogelijkheid een gedeelte van dit merkwaardige plekje te bewaren en daarbij tevens de grote geoloog en landbouwkundige dr. W. C. H.. Staring met een gedenkteken te eren. Door de buitengewoon vriendelijke en welwillende medewerking van het gemeentebestuur van Losser bleek het niet moeilijk het plan te realiseren. De beeldhouwster mevrouw Van Eyl te Enschede aanvaardde gaarne de opdracht tot het vervaardigen van een borstbeeld. De familie Zwaferink gaf dadelijk toestemming om op haar terrein een proefkuil te graven en met de enthousiaste medewerking van de Losserse jeugd was weldra een diep gat gemaakt. Groot was de vreugde toen op circa 4 meter diepte de harde steenbank aangetroffen werd. Een tankwagen van de gemeente verscheen en stortte enige duizenden liters water in het gat. Het water zakte tot aller opluchting dadelijk weg. Het bewijs was geleverd: de te maken ontsluiting zou geen wateroverlast te verduren krijgen. Na deze geslaagde proef besloot de gemeente de ontsluiting met bijbehorend plantsoen en gedenkteken aan te leggen. Hierbij is een schat van versteningen gevonden. Versteend hout, oesters, schelpen, slakken, ja zelfs varenblaadjes en kreeftresten. In menige Losserse huiskamer kan men ze thans te pronk zien liggen.
In nagenoeg geheel Nederland zijn de oudere formaties door een dek van jonge kwartaire afzettingen aan het oog onttrokken. Alleen in Zuid-Limburg en in het oosten van ons land, dicht bij de Duitse grens te Winterswijk en bij Glane en Losser komen mesozoïsche formaties dicht aan de oppervlakte voor. Het is dus te begrijpen, dat bij een zo grote armoede aan geologische ontsluitingen in ons land, het van een zeer groot belang is, het weinige dat voorhanden is zo goed mogelijk te bewaren en te beschermen.
Omstreeks 1900 bestonden er in Europa en ook in ons land overal nog kleine groeven, waar bouwsteen, klei, zand en grind met de hand gegraven werden, en waarbij door de oplettendheid van arbeiders en bezoekers dikwijls tal van fraaie dieren-en plantenfossielen gevonden werden, die dan een welkome verrijking voor de wetenschappelijke collecties van musea werden. Ook kwamen doof deze werkzaamheden talrijke leerzame geologische profielen te voorschijn, die een duidelijk inzicht gaven in de opbouwen de geologische geschiedenis van de aardkorst.
De toenemende mechanisatie in de industrie maakte deze handarbeid hoe langer hoe meer overbodig en tegenwoordig ziet men overal grote graafmachines aan de arbeid. Dit maakt helaas de kans op het vinden van fossielen zeer veel kleiner en de vondst van een volledig geraamte van een Plesiosaurus zoals de Brancasaurus brancai Wegner, bestaande uit o.a. 89 wervels, zoals Wegner deed in de kleigroeve van het naburige Gronau, moet met de moderne graafmethoden wel uitgesloten geacht worden. Deze vondst werd gedaan in de Wealdenklei in juli 1910.
Ontwikkelden zich dus de graafmethoden in een voor de wetenschap ongunstige zin, ook het kleinbedrijf hield op te bestaan, daar alleen nog op de grote bedrijven een economische en winstgevende werkwijze mogelijk was. Door het stilleggen van tal van kleine bedrijven werden ook een groot aantal groeven verlaten, die echter ondanks toenemende begroeiing en instorting altijd nog konden worden bezocht door studenten op geologische excursies of door schoolklassen voor onderricht in de open lucht
Maar er ontstond een nieuw en nog veel ernstiger gevaar. Door de toenemende welvaart en de groei van de bevolking nam de hoeveelheid vuilnis enorme afmetingen aan. Men ging er thans veel sneller toe over huisraad en dergelijke door nieuw te vervangen. Ook de intrede van olie en aardgas speelde hierbij 'een noodlottige rol. Veel wat vroeger in de kachel verbrand werd, kwam nu in de vuilnisemmer terecht.
Verpakkingsmateriaal en flessen worden tegenwoordig geen tweede maal meer gebruikt en worden dadelijk weggeworpen. Men kan zich de verlegenheid van de gemeentebesturen natuurlijk gemakkelijk voorstellen en het is voor hen dan ook zeker niet eenvoudig deze grote hoeveelheden afval kwijt te raken. Het is dan ook wel te begrijpen dat iedere gelegenheid werd aangegrepen om dit vuilnis kwijt te raken. Toen ik naar ik meen, in het jaar 1957 het dorp Volksen bezocht, was ik in het bezit van een geologische beschrijving met uitvoerige situatietekeningen, die enige tijd van te voren t.b.v. een congres van de Deutsche Geologische GeselIschaft waren vervaardigd. Hoe groot was echter mijn teleurstelling toen ik bij een der beroemde ontsluitingen aangekomen, schilderachtig tegen de helling van de Deister gelegen, daar af en aan rijdende vuilnisauto's tegenkwam, die hun stinkende inhoud in deze fraaie groeve deponeerden.
Niet iedere steen- of zandgroeve is de moeite waard om in stand gehouden te worden, ze vervallen spoedig en worden door begroeiing aan het oog onttrokken. Het zou ook financieel onmogelijk zijn. Er zijn echter ontsluitingen die eenmalig zijn en waarover grote speciale studies zijn verschenen. Type lokaliteiten waarop soms gehele geologische stelsels en theorieën zijn gebaseerd. Dergelijke natuurmonumenten mogen onder geen beding verloren gaan! Deze hebben niet alleen een landelijk, maar ook een internationale betekenis. Ze worden steeds weer bezocht ook door de buitenlanders voor studiedoeleinden en ter vergelijking van elders gedane waarnemingen. Zo is ook de Deisterfase als onderdeel van de Kimmerische plooiingsfase tot een zeer bekend begrip in de geologie geworden en is het absoluut nodig dat deze verschijnselen in groeven zichtbaar blijven. Het volstorten met vuilnis van betrekkelijk kleine groeven brengt slechts een zeer tijdelijke en onbeduidende oplossing, brengt grote schade toe aan het landschap, aan de hygiëne (ratten en muizen) en vormt ook een ernstige bedreiging door vervuiling van het grondwater. Een landelijk georganiseerde afvoer naar centrale vuilverbrandingfabrieken is reeds tot een levensvoorwaarde geworden.
Door het aanleggen en instandhouden van een geologische ontsluiting is door de gemeente Losser, geheel in de geest van Staring, een daad van natuurbescherming gesteld, die niet genoeg gewaardeerd kan worden en in binnen- en buitenland hopelijk tot navolging zal leiden. Het behoud en de bescherming van dit en andere natuurmonumenten wordt hierbij de jeugd van Losser hartelijk aanbevolen.
Aanvankelijk heeft het in de bedoeling gelegen, deze groeve als geologisch natuurmonument gedurende de weekends vrij voor het publiek toegankelijk te stellen. De groeve is echter niet voor uitbreiding vatbaar, aangezien deze gesitueerd is in een klein plantsoen temidden van een woonwijk. Daarom hadden we er borden geplaatst met het vriendelijk verzoek de zijwanden van de groeve niet te ondergraven. Desondanks werden door 'liefhebbers' de wanden dermate uitgehold, dat groot gevaar voor instorting dreigde. Door middel van een zware palissadering met daarachter geworpen zand gelukte het het gat te stoppen, maar daarmede was tevens een belangrijk deel van het mooie profiel voorgoed aan het oog onttrokken. Het gemeentebestuur van Losser zag zich dan ook helaas genoodzaakt de groeve permanent gesloten te houden en alleen open te stellen voor speciale groepen, die na een voorafgaande inleiding en bezichtiging van vitrines in het gemeentehuis, onder leiding en toezicht de groeve konden bezoeken. Hiervan is dan ook op prettige wijze in de loop van de jaren een enthousiast gebruik gemaakt. Om slechts enkele voorbeelden te noemen: Zo mochten we de commissaris der Koningin in de provincie Overijssel met zijn naaste medewerkers ontvangen. Voorts de Heer en Mevrouw Prof. Dr. Gripp uit Lubeck, de direkteur van de Rijksgeologische Dienst en een grote groep van zijn medewerkers, diverse afdelingen van de N.G. V., excursies van studenten, Professoren uit Moskou, Kiev, Japan, Polen, Italië, Czechoslovakia, U.S.A.. Spanje, Finland, Zwitserland, Nieuw Zeeland. Zweden. directeuren van gemeentewerken, vereniging van gemeentesecretarissen, vertegenwoordigers van het Rijksinstituut voor Natuurbeheer. Ook kwam er een afvaardiging van het Amt flir Bodenforschung in Hannover, waar men zich ook naar ons voorbeeld wilde gaan inzetten voor het behoud van geologisch merkwaardige ontsluitingen.
Door een groep jongelui wordt de groeve in belangeloze moeizame 'trim' arbeid steeds verder uitgediept om na te gaan in hoeverre op grotere diepte sprake is van een fauna differentiatie of anders uitgedrukt van een andere Okologie. Aanwijzingen daarvoor zijn waarschijnlijk aanwezig. Zo werden in de bovenste lagen herhaaldelijk exemplaren van de ammoniet Valdedorsella c;f akuschaensi.1' (Anth) aangetroffen, die we nu. op 6 meter diepte slechts hoogst zelden nog vinden. De gevonden fossielen worden afgestaan aan de gemeente Losser.

Gedeeltelijk zijn ze geëxposeerd in de vitrines die zich bevinden in de hal van het gemeentehuis. De overige zullen na wetenschappelijke bewerking geplaatst worden in ladekasten van de archiefruimte van de gemeente en in de toekomst beschikbaar blijven ter raadpleging door de wetenschap. Ook bevindt zich in de bibliotheek van het gemeentehuis de literatuur verband houdende met de Losserse zandsteen.
Een verdere uitbreiding aan het terrein waarin dit natuurmonument gelegen is kon kort geleden nog verkregen worden door de grote welwillendheid van het schoolbestuur van de school De Basis aan de Hogeweg en van het gemeente bestuur van Losser. Op een strook grond toegezegd aan het schoolbestuur bevond zich een zeven meter diepe waterput uitgehakt in de Losserse zandsteen.
In onderling overleg is deze grond met de waterput nu toegevoegd aan het staringplantsoen.
Op dit terrein bevond zich toen nog de woning van de familie van Huizen. Toen deze woning werd afgebroken konden we deze bijzondere waterput gelukkig voor sloping behoeden. Vroeger betrok men hier heerlijk water uit, maar als gevolg van de grote wateronttrekking aan de bodem door een naburige zuivelfabriek, kwamen putten in de wijde omgeving droog te liggen waardoor de bewoners op het waterleidingnet moesten worden aangesloten. Deze historische put kan nu in het vervolg ook aan bezoekers van het Staringmonument worden getoond.



CAMPTONECTES CINCTUS (Sow)
In de maand december 1975 waren we weer werkzaam in de Staringgroeve. Op een diepte van 5½ meter waarop we ons toen bevonden, is het gesteente zo hard dat een pneumatisch aangedreven beitel er aan te pas moet komen om de zandsteen er uit te breken. Is dan een nieuwe uitdiepingssleuf gereed, dan is men in staat het houweel in gesteentespleten te drijven en er dan met handkracht een groot stuk steen uit te wrikken. Dit gelukte aan mijn assistent Leo Jonkman en daarop werd een enorm grote schelpafdruk zichtbaar toebehorende aan de kamschelp Camptonectes cinetus (Sow) in de oudere literatuur onder de naam Peeten crassistesta (Sow) bekend.
Helaas was deze in één groot stuk, en vijf kleinere stukken, door het splijten van het gesteente gebroken, die later echter nauwkeurig aaneengekit konden worden.
Daar het prachtexemplaar voor permanente expositie in het gemeentehuis bestemd was, werden nog drie kleine ontbrekende scherfjes met gips in een enigszins lichtere kleur nagebootst. Ter plaatse waar de afdruk gevonden werd is een ijzerconcentratie zodat de afdruk roestbruin getint is. Ter verduidelijking van het navolgende is het goed, afb. l naar een tekening in O'ORBIGNY eens te vergelijken met de foto van afb. 2. Onder hoogte wordt verstaan de loodlijn die het slotmidden met de onderste schelprand verbindt. De lengte van de schelpklep wordt gemeten als de grootste afstand tussen de linker en de rechter schelprand.
De hoogte op afb. 1 bedraagt hier 86% van de lengte zijnde 170 mm. "La valve supérieure plus bombée que l" autre' merkt D’ORBIGNY o.a. nog op.
Wanneer U hiernaast de foto van afb. 2 vergelijkt dan zal het U opvallen dat een belangrijk gedeelte van de lengte ontbreekt. De hoogte van onze afdruk is 23 cm. de lengte slechts 18 cm. Omgerekend naar het ideaal beeld van D'ORBIGNY had de lengte dus bijna 27 cm. moeten bedragen. Er is dus een belangrijk deel niet afgedrukt waardoor de schelp in plaats van een rond voorkomen nu een langgerekt uiterlijk vertoont.
Alvorens nu nader het fossiel te beschrijven, zullen we eerst enige waarnemingen met betrekking tot een tegenwoordig levend verwant dier vermelden, zoals W.J.REES dit beschrijft.
Pecten of kamschelp is de naam voor een tweekleppig weekdier waarvan er tegenwoordig nog ongeveer 300 soorten leven in warme en gematigde zeeën over de gehele wereld. Ze komen onderling overeen door een gemeenschappelijk patroon, een meestal ronde omtrek met ribben uitstralend als een Romeinse kam, waarom PLINIUS hen dan ook Pecten heeft genoemd. De Pectens zijn als herkenbaar geslacht reeds 150 miljoen jaar aanwezig. Sommige geologen gaan hierin nog verder en denken zich een afstamming van Aviculopecten waarvan de overblijfselen voorkomen in rotsen met een ouderdom van 300 miljoen jaar. Bepalen we ons nu tot de thans nog levende grote kamschelp, de Pecten maximus (afb. 3).
Deze grote kamschelp is het eerst door LINNAEUS beschreven als Ostrea maxima. In die dagen werden nog veel tweekleppige schelpen tot de oesters gerekend. In 1776 zag echter de Deen, OTTO MULLER de noodzaak er van in de kamschelpen van de oesters te onderscheiden zodat ze sindsdien de naam Pecten maximus draagt. De mooie vorm van de Pectens heeft de mensheid altijd aangesproken en vele malen is dit motief in de kunst en in de handel (Shell) gebezigd. Ze wordt ook wel St. Jakobsschelp genoemd, omdat deze schelp het symbool was van de pelgrims naar het graf van de heilige Jacobus te Compostela in Noord Spanje. Het is een vrij hoog ontwikkeld dier dat zich door het krachtig openen en sluiten van de schelpkleppen vrij door het water kan bewegen.
In de mantelrand, tussen de wuivende tentakels, die zuurstof en voedseldeeltjes tot zich halen, bevinden zich wel honderd ogen als schitterende diamantjes en elk voorzien van een lens, een netvlies en een gezichtszenuw. Hierdoor is het dier in staat de nadering van haar voornaamste vijand, de zeester, waar te nemen en te trachten door te vluchten aan het gevaar te ontkomen. In rust op de bodem der zee, ligt de kamschelp met de platte kant naar boven. Bijgevolg is de opening van de schelp duidelijk van de bodem verheven en daardoor in het bereik is van het zuiverste water voor voedsel en zuurstofopname.
De meeste kamschelpen bezitten concentrische ringen op de schelp en door het aantal van deze te tellen, is het mogelijk bij benadering hun juiste leeftijd te bepalen. Hierbij dient men echter rekening te houden met het feit dat gedurende de periode voorafgaand aan hun seksuele rijpheid (ongeveer 2 à 3 jaar) geen ringen worden gevormd. In de Ierse zee is waargenomen dat het kuitschieten verloopt van januari tot augustus en wel in het bijzonder bij volle maan met een maximum in maart. Tijdens die periode groeit de schelp niet en ontstaat een ring.
Klaplopers zijn dikwijls een plaag in het leven van de grote kamschelp, want de platte bovenklep biedt een begerenswaardige ankerplaats voor sessiele dieren zoals hydrozoen, eendenmossels, sponsen en serpulide wormen, bryozoen, wier. Het gewicht van deze belemmert het zwemmen en bm zo groot zijn dat de kamschelp voorgoed aan de bodem gekluisterd is.
Onze kamschelpafdruk werd aangetroffen met de bolle kant naar boven, dus niet in levenshouding zoals uit het voorgaande wel duidelijk is. Nu dienen we ons goed te realiseren dat alle schelpen en zelfs belemniten in Losserse zandsteen totaal opgelost zijn, zodat we alleen afdrukken en holle ruimten vinden. Dit was ook hier het geval. 'Alle bloote indrukken of kernen', zoals STARING het uitdrukt. De schelpafdruk vertoont 60 groeiringen zodat het dier minstens 60 jaar oud moet zijn geweest.
Pecten crassistesta is reeds meer dan honderd jaren bekend als een gidfosiel voor het Hauterivien en het Valanginien.
KEMPER, sprekende over het voorkomen van dit fossiel te Gildehaus zegt: deze vormen bereiken een doorsnede van tot wel 15 cm. Dat we hier dus wel met een belangrijke 'record verbetering' in Losser te maken hebben zal U na het voorafgaande wel duidelijk zijn.





