De geschiedenis van het Bijzonder Jeugdwerk in woord en beeld Vele mensen zoeken nog naar Internaat De Zandbergen en de Ravenhorst in Losser. Sommigen weten niet meer dat het een internaat was en zagen het meer als een vakantieoord. In de begin jaren had het internaat een opvangfunctie voor jongeren, grotendeels uit de randstad, voor 3 maanden. Later werd het een continu opvang voor jongens en meisjes. In 1991 is het, toen zogenoemde bijzonder jeugdwerk verhuisd naar Enschede. In de wijk het Velve is nieuwbouw betrokken en dus uit Losser vertrokken. Ter gelegenheid is het boekwerkje 50 jaar Bijzonder Jeugdwerk op de 'De Zandbergen' uitgegeven. Hoewel dit boekwerk ook al weer gedateerd is, geeft het toch de sfeer van die tijd goed weer. Voor een ieder die in die tijd met De Zandbergen te maken heeft gehad is er wel een stukje te vinden welke bij zijn/haar tijd past. Het boekje is momenteel niet meer verkrijgbaar. Mocht er veel animo zijn dan wil ik overwegen om deze als Word of PDF beschikbaar te stellen. Veel leesplezier.
BJ vijftig jaar op de Zandbergen Voorwoord van Philip Visser, directeur Met de verhuizing van De Ravenhorst naar Enschede is een eind gekomen aan een periode van bijna vijftig jaar in Losser. Een periode waarin het dorp en het internaat met elkaar vergroeid zijn geraakt. Voor de oorlog vormde "De Zandbergen" het doel van menige wandeling vanuit Losser of fietstocht vanuit Enschede. Het Smitoord, van de coöperatieve vereniging "Tot Steun in de Strijd", was de vakantiebestemming voor menig kind uit Enschede en omgeving. Vanaf 1942 werd het voormalige vakantieoord in gebruik genomen voor jongeren met problemen. Bij ons vertrek in 1991 zijn de 50 jaar dus net niet volgemaakt. In die vijftig jaar is er in en om het internaatswerk veel veranderd. Het gedenkboek dat nu voor u ligt wil een beeld geven van deze veranderingen, zonder de pretentie te hebben volledig te zijn. Door interviews met oud-bewoners en medewerkers is geprobeerd een beeld te geven van de herinneringen welke bij hen zijn blijven hangen van hun verblijf op het internaat. De foto's, die de interviews illustreren, zijn afkomstig uit de privé- verzamelingen van medewerkers en bewoners uit het dorp, die enthousiast reageerden op een oproep in "De Dinkellander". Twente is trots op zijn geschiedenis, een geschiedenis die Twente en de Twentenaar heeft gemaakt tot wat zij zijn. De Ravenhorst is een deel van Twente geworden en hoort, nu het centrum vertrokken is van haar vertrouwde plekje, een plaats te krijgen in de geschiedenis van de streek. Daarnaast horen we vaak zeggen dat de geschiedenis ons kan helpen de koers voor de toekomst te bepalen. Waar of niet waar, met dit gedenkboek willen we een bescheiden bijdrage leveren aan de geschiedschrijving van de plek waar bewoners en medewerkers vele jaren met plezier hebben gewoond en gewerkt. Dit plezier is in belangrijke mate het gevolg van de contacten met onze "noabers", die zich voor jongeren en medewerkers als echte Twentse noabers opstelden. Door de jaren heen zijn de relaties met hen steeds van uitstekende aard geweest. Her doet mij dan ook buitengewoon veel plezier dat de nestor van de noabers bereid was een bijdrage aan dit gedenkboek te leveren. Jaren achtereen zijn groepen jongeren, hoofdzakelijk afkomstig uit het westen van het land, de bewoners van het internaat geweest. Tweetal van hen vertellen over dit verblijf en de invloed die dat gehad heeft op hun leven. De vraag naar het "waar om" van de plaatsing, wordt door één van hen op indringende wijze aan de orde gesteld. Deze belangrijke vraag brengt ons bij een van de meest opvallende veranderingen welke zich op het internaat heeft voorgedaan. Een verandering die uiteindelijk heeft geresulteerd in het vertrek van het internaat uit Losser. In de naoorlogse periode kon een opname gedurende een periode van drie maanden betrekkelijk makkelijk plaatsvinden. Hoofden van scholen, artsen en anderen, adviseerden ouders vrij snel hun kinderen voor korte tijd te plaatsen in één der kampen van BJ. De gezonde omgeving van de Twentse bossen, aangevuld met een programma vol sport en spel, moesten jongeren uit de drukke grote stad weer even de gelegenheid geven op adem te komen. De plaatsing was in vele gevallen ook bedoeld als een tijdelijke ontlasting van de ouders. Hierdoor had de plaatsing voor drie maanden in een internaat het karakter van ondersteuning van ouders en kind waarmee ernstiger problemen konden worden voorkomen. Inmiddels is de samenleving complexer geworden en worden er aan ouders en kinderen steeds meer eisen gesteld. Plaatsingen met een preventief karakter komen niet meer voor, dit mede als gevolg van de sluiting van vele voorzieningen in de afgelopen jaren. Meer en meer is het inzicht ontstaan dat jongeren in het gezin geholpen dienen te worden. Uithuisplaatsingen moeten, zo is thans de opvatting, zoveel mogelijk worden vermeden. Het gevolg daarvan is dat de jongeren die nu in een centrum voor jeugdhulpverlening worden opgenomen veel hogere eisen stellen aan de hulpverlening. Hulp binnen het gezin is al geprobeerd en niet gelukt. In deze periode is de spanning tussen ouders en kind sterk toegenomen, waardoor het steeds moeilijker is geworden iets voor elkaar te betekenen. De hulpverlening die wij in zo'n situatie dienen te bieden moet van een hoogwaardige professionele kwaliteit zijn.
Dat vereist onder andere dat we moeten kunnen beschikken over goede accommodatie om onze jongeren te huisvesten met daarnaast een behoorlijk uitgerust educatie-centrum om vastgelopen opleidingssituaties weer op gang te kunnen brengen. In Losser voldeed de accommodatie niet meer aan de eisen van deze tijd. De vestiging, in de bossen, achter het dorp Losser, sloot niet meer aan bij de hulpvraag die onze jongeren, door hun gedrag, aan ons stellen. Ook het aanvankelijk voor Losser ontwikkelde nieuwbouwplan voldeed niet aan deze eisen. Door een geluk bij een ongeluk, te weten het gat in de begroting van de Rijksgebouwendienst, ging dit plan niet door en ontstond de noodzakelijke ruimte in tijd om tot een nieuwe afweging te komen. Na uitvoerig en langdurig overleg met medewerkers en beleidmakers op verschillende niveaus, is toen de keuze gemaakt voor een gedecentraliseerde voorziening in de stad. Een vorm van kleinschaligheid binnen een groter organisatorisch verband waardoor de voordelen van een grote instelling en de voordelen van kleinschaligheid konden worden gecombineerd. Dankzij de medewerkering van de algemene directie van BJ, de gemeente, provincie en het samenwerkingsverband jeugdhulpverlening Twente (V.J.T.) konden de formele procedures snel worden afgerond en kon de verhuizing plaatsvinden amper drie jaar nadat het idee voor het eerst werd geopperd.
Als we nu kijken naar de schitterende nieuwe behuizing in de wijk Velve-Lindenhof, een wijk die ons enthousiast heeft ontvangen, dan kunnen we ons nauwelijks meer voorstellen hoe het mogelijk was met alle beperkingen welke de oude accommodatie ons oplegde te werken. Ieder kind een eigen kamer. Een goed uitgerust educatie-centrum en een functioneel stafgebouw en dat alles op afstanden van elkaar die nauwelijks groter zijn dan op het terrein in Losser. Natuurlijk stelt de nieuwe locatie in een stad andere eisen aan de begeleiding van jongeren. We hebben ons gerealiseerd dat er sprake zou zijn van een totale cultuurverandering waarop de medewerkers door scholingen training uitvoerig zijn voorbereid. Ook de organisatiestructuur diende ingrijpend te worden bijgesteld. Verantwoordelijkheden van de uitvoerend werkers dienden te worden bijgesteld. We zijn als totale organisatie in een proces van verandering gestapt waar niemand zich aan heeft kunnen onttrekken. De periode Losser is afgelopen, Enschede stelt ons voor nieuwe vragen, doet een beroep op onze creativiteit en inzet. Ik heb dan ook veel respect en bewondering voor alle bij de ombouw en verandering betrokken medewerkers. Er zijn bergen werk verzet, zonder mopperen. Er is positief geïnvesteerd in een toekomst waarin we met zijn allen geloven. Hiervoor dank ik allen die bij dit veranderingsproces betrokken zijn geweest en wel in de eerst plaats de medewerkers van ons centrum. Mensen bedankt ! Voor het werken met onze jongeren kunnen we nu beschikken over een prima accommodatie op een prima plek. Laten we er met zijn allen aan werken dat daar dan ook de best mogelijke hulp wordt geboden. Om privacy-redenen is er in dit boek voor gekozen géén namen van jongeren te vermelden bij de foto's. Het gedenkboek laat zien dat hulpverlening een proces is vol van menselijke betrokkenheid. Velen hebben goede herinneringen aan "De Zandbergen" in Losser. We treffen echter ook een toon van verdriet, soms zelfs van pijn aan. Toch kan gesteld worden dat zelfs door die pijn heen, Losser een aangename herinnering is gebleven. Een gedenkboek als dit is door al deze verhalen een "klein monument" van menselijke omgang op een klein stukje Twente, een plekje dat velen nooit zullen vergeten. Philip Visser directeur Een stukje geschiedschrijvingVan 'De Zandbergen'-via De Ravenhorst'- tot... BJ-Twente 1942 Het Rijk huurt in Losser een terrein met villa "De Zandbergen" voor de inrichting van een kamp voor sociale jeugdzorg.
1946 Het ministerie van Wederopbouw en Volkshuisvesting huurt "De Zandbergen" voor het jeugdwerk in internaatsverband. 1951 "De Zandbergen" wordt van de Cooperatieve Vereniging Tot Steun in de Strijd Enschede gehuurd voor ƒ 4.000,- per jaar, voor een periode van vijf jaar. De huur betreft twee zomerverblijven, vijf schuren en 12.3 ha zand en bosgrond. Laus Teepe wordt de eerste directeur op "De Zandbergen". 1955 De verhuurder wil verkopen. Het Rijk heeft het eerste recht van koop. De andere gegadigde blijkt de gemeente Losser te zijn, die al jaren het plan koestert het landgoed aan te kopen. De gemeente biedt ƒ 120.000,- en dat is meer dan het waard is. De verhuurder vraagt ƒ. 105.000,-. Het departement vindt dat te veel. 1956 De huur wordt verhoogd tot ƒ 6.037,50 per jaar.  1957 De gemeente Losser probeert het terrein opnieuw te kopen van de Coöperatieve Vereniging. De gemeente wil het de bestemming geven van recreatieterrein. Zij wil de gebouwen echter blijvend ter beschikking stellen van het Rijk. Gedeputeerde Staten geeft de gemeente geen toestemming om tot aankoop van "De Zandbergen" over te gaan. De gemeente gaat tegen deze beslissing in beroep. Overleg tussen gemeente en ministerie leidt niet tot resultaten. De vereniging vraagt nu ƒ. 91.300,-. Het Rijk vindt dit bedrag nog altijd te hoog. Het huurcontract wordt met een jaar verlengd. 1958 De gemeente Losser wordt in haar beroep tegen de beslissing van GS in het ongelijk gesteld. 1960 Directeur Lans Teepe neemt afscheid. Johannes Hofman volgt hem op. Onafhankelijke taxatie van "De Zandbergen" geeft een koopsom van ƒ 91.300,te zien.  1961 Het Rijk koop het terrein met opstal aan voor ƒ 80.515,-. Voor verbouw- en uitbreidingswerkzaamheden wordt een bedrag van ƒ 476.000 beschikbaar gesteld. Er worden vier paviljoens gebouwd en een gebouw waarin een leslokaal en de onderhoudsdienst worden gehuisvest. Men kiest voor semi-permanente bouw. De villa "De Zandbergen" wordt afgebroken. Voortaan heet het internaat "De Ravenhorst". 1965 In dezelfde stijl als de paviljoens worden een stafgebouw en magazijn met kantoorruimten gebouwd. 1976 In dit jaar vertrekt directeur Johannes Hofman. Hij gaat naar het BJ-internaat Aekinga te Appelscha. De toestand van de gebouwen is niet bepaald rooskleurig. De vraag is echter of opknappen de nieuwbouwplannen niet zal doorkruisen. Voor de gymnastieklessen wordt een noodgebouw neergezet, in de vorm van een luchthal, met een tijdelijke vergunning van de gemeente. 1977 Wouter van Loon wordt tot directeur benoemd. Er komt methodische werk begeleiding voor de groepsleiding vanuit BJ-Centraal te Lochem. Van voortgang in de bouw is in deze periode geen sprake. "De Ravenhorst" gaat zijn hulpverlening meer richten op de regio Twente.  1979 De aanzet tot democratische veranderingen door de directeur gaan te snel. Van Loon vertrekt en wordt opgevolgd door Cor Struik. Interne spanningen komen onder zijn leiding tot rust. De directeur gaat deelnemen aan het Twents Tehuizen Overleg in verband met de regionalisering. 1980 Het programma van eisen voor de nieuwbouw van "De Ravenhorst" is vastgesteld en goedgekeurd. Het betreft een nieuw servicegebouw en een sportlokaal. "De Ravenhorst" is nog steeds een internaat voor LOM-leerlingen. Het begrip LOM-leerling zegt echter weinig. Men erkent dat de schoolproblemen vaak een andere achtergrond hebben. "De Ravenhorst" gaat zich richten op kinderen met een normale intelligentie, leerachterstand en gebrek aan leermotivatie. 1981 Vrijwilligers uit Losser komen op "De Ravenhorst" de handen uit de mouwen steken. Het centrum treedt in overleg met een kamertrainingscentrum in Enschede om samenwerking tot stand te brengen. De dienstwoning wordt in gebruik genomen als een interne voorziening voor kamerbewoning. Emancipatie doet zijn intrede op 'De Ravenhorst'. In ieder team werkt nu één vrouw. De "mannenheerschappij" wordt langzaam doorbroken.  1982 "De Ravenhorst" richt zich op jongeren met een normale intelligentie van 12 tot 17 jaar. Later wordt beslist met jongeren van 7 tot 17 jaar te gaan werken. In dat jaar komen voor het eerst ouders op het internaat logeren, om de omgang met hun kinderen op een nieuwe manier aan te leren. 1984 De provincie krijgt in de toekomst meer te zeggen over de invulling van de jeugdhulpverlening. Men vraagt zich af of de nieuwbouwplannen van "De Ravenhorst" niet klem komen te zitten tussen deze ontwikkelingen. Men is nog steeds in overleg met de Rijksgebouwendienst. Het programma van eisen voor de nieuwbouw is vastgesteld. De opdracht aan de architect is door Rijksgebouwendienst verstrekt. Op "De Ravenhorst" gaan de eerste leerlingen naar externe scholen. Het aantal plaatsingen uit Overijssel stijgt langzaam. 1985 "De Ravenhorst" wil zich nog meer dan voorheen gaan richten op jongeren uit de eigen regio. Het internaat ontwikkelt zich tot een voorziening voor Overijssel. Men besluit met jongens èn meisjes te gaan werken.  1986 Directeur Cor Struik neem afscheid en wordt opgevolgd door Phlip Visser. In het plaatsingsbeleid gaan regionale gevallen voor. Het plan voor totale nieuwbouw wordt door de minister goedgekeurd. Er wordt feest gevierd op het internaat. Twaalf uur voor de aanbesteding wordt het nieuwbouwplan afgeblazen. Het gaat voor meerdere jaren in de ijskast. Reden: Rijksgebouwendienst zat met een gat van 500 miljoen: het "gat Nijpels". 1987 Een alternatief plan voor nieuwbouw in Enschede komt op gang. Algemeen BJ-directeur Han Muller geeft toestemming voor verdere ontwikkeling. Het personeel kan er na een zware bespreking mee instemmen. 1988 Het zoeken naar bouwterrein in Enschede begint. Rijksgebouwendienst gaat met de plannen akkoord. De nieuwbouw past ook goed in het Ondernemingsplan voor een geprivatiseerd BJ. 1989 Bouwterrein gevonden in de wijk Velve-Lindenhof te Enschede. Schetsontwerpen worden gemaakt en goedgekeurd. De Gemeentelijke Bouwdienst verzorgt de bouwcoördinatie. Er worden voorlichtingsavonden in de wijk gehouden. De bewoners reageren "redelijk instemmend". De grond wordt aangekocht, de bouwkredieten worden verworven. 1990 De aanbesteding van de bouw vindt plaats in januari. De bouw start in maart. In december worden reeds de eerste panden opgeleverd.  1991 Op 11 februari verlaten medewerkers en jongeren het landelijke Losser. De diverse lokaties in de wijk Velve-Lindenhof worden betrokken. Op woensdag 15 mei is de officiële opening van BJ-Twente in Enschede.
BERNARD ROLINK, DE KOK DIE EIGENLIJK BANKETBAKKER WAS. EEN GESPREK MET MEVROUW ROLINK 'In al die 32 jaar dat hij bij 'De Ravenhorst' werkte, van 1946 tot 1978, heeft hij zich slechts één keer verslapen. Hij dacht toen dat het zondag was.' Een terugblik samen met mevrouw Marietje Rolink (72), de vrouw van de welhaast 'legendarische' kok Bernard Rolink, die tien jaar geleden op 67-jarige leeftijd overleed. Twee jaar eerder was hij gestopt met werken. Rolink was wat de Engelsen noemen 'a character'. De andere verhalen in dit boek getuigen hiervan: zijn naam wordt talloze malen genoemd. De een vond hem streng, de ander humoristisch, weer anderen gebruikten zelfs de termen 'filosoof en 'genie'. Hij was in ieder geval iemand die bij anderen reacties opriep. Het is al weer 34 jaar geleden dat het pas getrouwde echtpaar Rolink de eengezinswoning in de Klopperstraat in Losser betrok. Zij kregen vijf kinderen. De oudste zoon is in de voetsporen van zijn vader getreden: hij is banketbakker in Amsterdam. De tweede zoon, Herman Rolink, werkt bij BJ-Utrecht, aanvankelijk als hulpkok en nu als groepsleider.
 De jeugdig ogende mevrouw Rolink is nog altijd het toppunt van energie. Ze trekt al 25 jaar iedere ochtend een uur lang baantjes in het Losserse zwembad. 's Zomers start ze in het prille ochtendgloren om 7 uur, maar in de donkere wintermaanden gunt ze zichzelf een half uurtje langer onder de wol. Verder heeft ze het druk met haar kinderen, acht kleinkinderen, breien, kegelen, kaarten en vele andere hobby's. Wat herinnert mevrouw Rolink zich nog van 'De Zandbergen', later 'De Ravenhorst'? 'Wat me het meest is bijgebleven zijn de weken dat m'n man kampwacht had, de periode tussen twee kampen door dus. Dan gingen we er met het hele gezin naar toe. Dat was gewoon vakantie voor me. Vooral in de tijd dat de oude villa 'De Zandbergen' er nog stond, vond ik het er heerlijk. Die villa was mooi en ruim , maar tegelijk zeer intiem.' Sokken stoppen'Verder herinner ik me dat ik jarenlang sokken van de kinderen heb gestopt. Bernard kwam af en toe met een grote zak thuis. En knollen dat erin zaten! Zo heb ik op den duur zelf m'n wasmachine bij elkaar verdiend. Bernard was een van de weinige medewerkers die extern woonde, vandaar dat ik niet bij het dagelijks gebeuren van het internaat betrokken was. Bovendien was hij geen groot verteller. Hij was nogal gesloten. Als hij thuis kwam zette hij z'n brommer achter het huis en liep rechtdoor naar zijn bijen. Hij was imker en had 23 bijenkasten. We hadden altijd volop honing. Toen hij overleed heeft de apotheker in het dorp alles overgenomen. Hij brengt me nog ieder jaar een emmertje honing.' HavermoutpapBernard Rolink ging iedere morgen om zes uur de deur uit. Hij had haast want de kinderen moesten op tijd hun havermoutpap hebben. Zonder havermoutpap zou het niet goed met hen aflopen, zo geloofde de kok heilig. Zijn route naar het internaat voerde eerst langs de slager, waar hij een fikse portie vlees insloeg voor de ruim zestig hongerige magen die van zijn kookkunst afhankelijk waren. Bakker Stokman bezorgde iedere dag vers brood en groenteman Knipper kwam om de dag langs met zijn vitaminerijke groen-produkten. Tot zover een tijdbeeld, een collage samengesteld uit de herinneringen van mevrouw Rolink. Was uw man een goede kok? Mevrouw Rolink lacht geheimzinnig. Het 'uur van de waarheid' blijkt aangebroken. 'Hij was eigenlijk helemaal geen kok, maar banketbakker. Bernard had zeventien jaar in zijn geboorteplaats Erica, vlak bij Emmen, bij een banketbakker gewerkt. Het was altijd de bedoeling geweest dat hij de eigenaar zou opvolgen, maar toen puntje bij paaltje kwam ging dat niet door. Het is, achteraf gezien, nèt of het zo moest zijn. We lazen in de krant dat 'De Zandbergen een kok zocht en op die vakature heeft Bernard gewoon gesolliciteerd. Ze hebben er nooit iets van gemerkt. Hij kookte voortreffelijk. Veel later heeft m'n man het eens terloops tegen directeur Teepe verteld. Die moest toen hartelijk lachen.' Ontzag'Teepe was toch zo'n fijne man. Voor hem hadden de jongens echt ontzag. Dat is vandaag de dag heel anders. Kinderen weten niet meer wat het woord 'ontzag' betekent. Toen onderwijzer Duyker naar het internaat in Hollandse Rading vertrok, vroeg hij Bernard met hem mee te gaan. Maar Teepe wilde hem niet laten gaan. 'Blijf alsjeblieft,' vroeg hij letterlijk. Ik had wel gewild. Utrecht en omgeving leek me heel wat aantrekkelijker voor de kinderen om op te groeien. Maar nee hoor, m'n man koos voor 'De Zandbergen' en daar hadden we ons maar bij neer te leggen. Ook Hofman was een zeer sympathieke man. Met hem en zijn vrouw Anita hebben we jarenlang één keer in de week gejokerd. Ik heb nog altijd contact met hen, evenals met Cor en Wil Boot, mevrouw Van der Wardt en Ini Lukien. We zien elkaar gemiddeld een keer per jaar. Een paar jaar geleden is er in Lochem een grote BJ-reunie gehouden. Ik was op dat moment in Frankrijk met vakantie. Maar voor dat doel ben ik overgekomen met de trein. Het was de moeite waard. Geweldig zoveel oude bekenden als ik toen heb gezien. Had uw man een goed contact met de kinderen? 'Hij kon met iedereen goed opschieten, met volwassenen en kinderen. Maar - en daarom vonden sommigen hem misschien streng - hij was zeer consequent. Zijn nee was en bleef nee. Je hoefde het echt niet nog eens te proberen. M'n eigen kinderen weten daar alles van. De kinderen van het internaat hielpen Bernard in de keuken met aardappelen pitten en broodsmeren. Maar behalve koken, zorgde mijn man ook voor de bloemen rond het huis. Dat was zijn hobby en ook daar assisteerden de kinderen hem bij. Ze genoten dan. Het is meerdere malen gebeurd dat oud-bewonertjes van het internaat ons later thuis kwamen opzoeken. Soms huilden ze tranen met tuiten omdat ze weer terugwilden.' 'Bedrogen''Ik herinner me nog een grappig verhaal. Onder de medewerkers van het internaat was een vegetariër. Deze stond er onder meer op dat hij aparte, plantaardige boter kreeg. M'n man heeft hem jarenlang 'bedrogen'. Hij had één keer een pakje plantaardige boter gekocht en het papiertje bewaard. Daarin verpakte hij na die tijd gewone boter. De man heeft het nooit doorgehad en hij is er niet slechter van geworden. Een van de specialiteiten van Bernard was een kolossale slagroomtaart, voor minstens dertig personen. Die bakte hij altijd voor familie en goede kennissen ter gelegenheid van een verjaardag. Gelukkig heeft hij mij die kunst ook geleerd en ik zet nu nog altijd zijn traditie voort. Eén van m'n dochters heeft me onlangs gevraagd om haar ook in te wijden. En zo zet de traditie zich dan voort.'
'DAAR STOND HIJ EN VROEG DE WEG NAAR AMSTERDAM...' DE 'NAOBERS' ELFERINK
'Toen Johannes Hofman en zijn vrouw Anita op het internaat kwamen, zei de buurman tegen me: 'Elferink, hou je kippen binnen, want er loopt een vos op 'De Zandbergen' rond.' Zij had rood haar zie je.' 'Naober' Elferink grinnikt nog bij de gedachte. Hij en z'n vrouw wonen al sinds 'mensenheugenis' naast het internaat en hebben veel lief en leed rond het huis en zijn bewoners, van dichtbij - soms zelfs aan den lijve - meebeleefd. 't Is stil geworden,' zegt mevrouw Elferink. Sinds 'De Ravenhorst' op 11 februari van dit jaar naar Enschede verhuisde, valt er op het naast de boerderij gelegen terrein niets meer te beleven. Wat ermee gebeurt? De gemeente schijnt het terrein te willen kopen, met als bestemming natuurgebied, weet de boerin te vertellen. Van hun beiden heeft zij de oudste herinneringen. Ze vertelt: 'Mijn vader en moeder hebben vroeger al op deze boerderij gewoond. Ik ben in 1931 hier geboren. Ik herinner me nog goed uit mijn kindertijd dat 'De Zandbergen' een kindervakantieoord was. We speelden er graag, m'n broer, m'n zusje en ik. Er was veel speelgoed en je kreeg er hagelslag of bruine suiker op je brood! Dat kenden wij op de boerderij niet. Op een gegeven moment hebben wij wegens omstandigheden de boerderij verhuurd en zelf een aantal jaren elders gewoond. In 1954 keerden m'n man en ik hier weer terug. In die tijd was 'De Zandbergen' een internaat geworden, met Lans Teepe als directeur.' Paard en wagen 'We gingen meteen heel plezierig met Teepe om,' vervolgt haar man. 'We mochten gebruik maken van de douches op het internaat. Een dergelijke luxe hadden wij op de boerderij niet. We kwamen er regelmatig op de koffie en hij was gul met sigaren. Als 'tegenprestatie' zorgde ik met m'n paard en wagen voor het vervoer van een nieuw aangekomen groep kinderen, van het dorp hierheen over het smalletje zandweggetje. Ander vervoer was er niet. De bagage werd op de wagen geladen en de kinderen liepen ernaast. In de wintermaanden stond Rolink, de kok, bij onze aankomst dan altijd met een grote pan erwtensoep gereed. Ja, we hadden elkaar nodig in die tijd. We waren voor allerlei dingen vaak op elkaar aangewezen. In de loop der jaren is daarin is veel verandering gekomen. Alles is nu veel bereikbaarder. Het 'naoberschap' is nu veel minder sterk. Met die grotere bereikbaarheid is de afstand tussen de mensen groter geworden. Cor Struik - dat moet ik zeggen - heeft in de tijd dat hij directeur was het 'naoberschap' weer aangehaald. Al meteen bij zijn komst moesten we kennis komen maken en een borrel drinken. Phlip Visser, de huidige directeur, is voortgegaan op die lijn. Ook hij betrok ons zo veel mogelijk bij diverse activiteiten.'
 AchterzakTerug naar Johannes Hofman. Wat kunt u zich nog meer herinneren? Mevrouw Elferink: 'Als Anita en hij uitgingen en ze reden weg met die oude 'eend' van hem, dan moesten we altijd lachen. Het was net een echte eend, de ramen klapten open en dicht. Hofman had typische gewoonten. Zo stopte hij altijd z'n geld los in z'n achterzak, omdat hij geen portemonnee had. Op een dag kwam Anita helemaal opgewonden bij me langs. Ze had de vorige dag een kostuum van Johannes naar de stomerij gebracht. 's Avonds miste hij het toen hij het aan wilde trekken. Dat het gestoomd werd was niet zo erg, zei hij, maar wel dat hij een paar honderd gulden in zijn achterzak had laten zitten... Anita heeft het geld teruggevonden. Maar ze moest er wel een enorme hoop goed in de stomerij voor doorspitten.' Heeft u in al die jaren ook veel contact gehad met de kinderen? 'We hebben van alles meegemaakt met de kinderen', vertelt boer Elferink. Zo kwam er een keer een klein jongetje langs. Daar stond hij en vroeg de weg naar Amsterdam. Hij had alleen een tandenborstel, tandpasta, papier en potlood bij zich. We hebben hem maar snel teruggebracht naar het internaat. Weglopen kwam vooral de eerste drie weken van een nieuwe groep veel voor. Soms vonden we er 's morgens één in het hooi. Soms had ik medelijden met de kinderen. Je zag ze vaak huilen. Ze kwamen zo van de stad naar het bos. Ze moesten op het internaat drie keer per dag eten. Sommigen waren dat helemaal niet gewend. Iedere ochtend havermoutpap. Dat vonden ze nog het meest verschrikkelijk. Op dinsdagmiddag zagen we de hele stoet voorbij trekken, want de kortste weg naar het zwembad liep langs onze boerderij. Dan zwaaiden ze.' Toppop'Af en toe stond er wel eens ineens zo'n jochie bij ons op het erf. Ik herinner me nog een jongen uit Rotterdam. Hij had twee moeders en drie vaders. Omdat hij alles af wist van Toppop en een heleboel liedjes kon nazingen, was hij reuze populair bij onze kinderen. Op den duur kwam hij altijd als hij vrij was hier. Op een dag versprak hij zich: hij sliep wel eens niet op het internaat, maar in onze schuur in het hooi. Toen hij het internaat verliet en afscheid kwam nemen, heb ik hem een schetsje van 'zijn' schuur, dat ik door iemand in het dorp had laten maken, als herinnering cadeau gegeven. Hij was er vreselijk blij mee en heeft nog jarenlang regelmatig opgebeld. Ook stond hij op een nacht opeens bij ons op de stoep. Hij was weggelopen uit Rotterdam. We hebben de volgende dag het internaat gewaarschuwd. De laatste jaren horen we niets meer van hem.' BrandEr zijn aangename, maar ook minder aangename herinneringen. Eén incident dat tot die laatste categorie behoort, is de brand op Tweede Kerstdag 1989, die, zoals later bleek, aangestoken was door een jongen van 'De Ravenhorst.' Mevrouw Elferink: 'We moesten 's avonds op visite en waren daar net gearriveerd toen onze zoon opbelde met de boodschap dat de schuur in lichterlaaie stond. Wij snel terug. De brandweer was al gearriveerd en was druk bezig met blussen. Alle varkens en koeien liepen los buiten rond. Later zijn er helaas toch enkele aan longontsteking gestorven. Een week later kwam Phlip Visser ons vertellen dat één van zijn jongens het gedaan had en bood zijn excuus aan. De schade is later keurig vergoed. Ze waren er heel toevallig achter gekomen doordat een groepsleider een opmerking die hij verdacht vond van deze jongen tegenover anderen had gehoord.' Elferink: 'We nemen het 'De Ravenhorst' niet kwalijk. Zo zie je, al zorg je nog zo goed voor de kinderen, ze missen toch iets. Die jongen mocht natuurlijk om de een of andere reden niet naar huis met de Kerst. Niet welkom. Ouders misschien naar de wintersport en hij lekker opgeborgen op een goed adres. Dan krijg je dat ze hun gevoelens af moeten reageren. Maar het kan natuurlijk ook gewoon verveling geweest zijn.' KlootschietenZiet het er naar uit dat u nog wel eens contact zult hebben met uw voormalige naobers' in Enschede? Boer Elferink: 'Zeker weten. We doen al jaren met de hele omgeving aan klootschieten. Dat gaat gewoon door. Onze volgende afspraak is al bepaald: 11 juni. Dan gaan we weer...'
VAN DWARS 'WEGLOPERTJE' TOT SUCCESVOL ONDERNEMER KEES STAAL
'Tien jaar geleden hadden ze me nog niet hoeven vragen of ik mee wilde werken aan een boek als dit. Dan had ik 'nee' gezegd. Ik heb jarenlang gevochten tegen mijn jeugdherinneringen. Alles weggedrukt. Ik wilde er met niemand over praten. Maar de laatste jaren begonnen m'n kinderen vragen te stellen. Ze zagen foto's en wilden van alles weten. Dat was voor mij het keerpunt. Ik besloot me niet langer voor m'n verleden te schamen. Trouwens wat was er eigenlijk om beschaamd voor te moeten zijn? Dat realiseerde ik me toen pas. Iedereen heeft toch zijn eigen geschiedenis..?'  Aan het woord is Kees Staal (45). Anno 1991 een succesvol ondernemer. Ooit een - naar eigen zeggen -vervelend, dwars 'weglopertje', met wie geen land te bezeilen was. Ook 'De Zandbergen' kreeg daar in 1958 een portie van mee. Vorig jaar bezocht Kees Staal met zijn vrouw 'De Ravenhorst' in Losser. Op zoek naar het verleden dat hij zolang verdrongen had. 'Het was eigenlijk allemaal erg vreemd voor me. De grote villa, die ik me herinnerde, stond er niet meer. Aan een medewerker, die ons zag rondscharrelen, vertelde ik dat ik een oud-bewoner was. Hij vroeg toen m'n naam en adres en of ik eventueel mee wilde werken aan een herdenkingsboek. Ik zei: 'geen bezwaar', aldus Kees Staal.  We ontmoeten elkaar in een gebouw van Rijkswaterstaat, dat deels als Delta-EXPO is ingericht, op het voormalige werkeiland 'Neeltje Jans', vlak bij de waterkering van de Oosterschelde. 'Je kunt je niet vergissen. Er is niets anders. Het is 'in the middle of nowhere', had hij uitgelegd. Kees Staal gaf ter plekke op dat moment gedurende drie dagen in de week een anti-slipcursus aan een aantal medewerkers van Rijkswaterstaat. Zijn bedrijf 'Staal Auto Training B.V.', dat gevestigd is in zijn woonplaats Westdorpe (Zeeuws-VIaanderen), houdt zich bezig met bedrijfstrainingen die erop gericht zijn automobilisten een beter en veiliger rijgedrag bij te brengen. De cursus, die hij speciaal voor het bedrijfsleven ontwikkeld heeft, heet 'Bewust Veilig Autorijden". Staal: 'De statistieken wijzen uit dat verkeersongelukken een van de hoofdoorzaken vormen van ziekteverzuim.' Hij richt zich dus voornamelijk tot bedrijven, maar ook de individuele automobilist kan bij SAT voor een vaardigheidstraining terecht.  Dertien lagere scholenKees Staal's jonge jaren leveren geen vrolijk verhaal op. Het is een aaneenrijging van verblijven in tehuizen en pleeggezinnen. In totaal bezocht hij dertien lagere scholen... Hij werd in 1945 geboren in Groningen. Zijn moeder overleed toen hij 3 1/2 jaar was. Zijn vader trouwde opnieuw met een ambitieuze vrouw, een juriste, die er geen twijfel over liet bestaan hoe zij de aanwezigheid van Kees en z'n twee jaar oudere zusje zag: 'Ik ben met jullie vader getrouwd, niet met jullie...'. Toen Kees zes jaar was verhuisde het gezin naar Lubeck in Duitsland, waar zijn vader mede-directeur van een scheepswerf werd. Kees ging er voor het eerst naar school en leerde uiteraard vloeiend Duits spreken. Toen hij tien jaar was keerden zij terug naar Nederland en gingen in Rotterdam wonen. 'Toen begon de ellende. Ik sprak haast geen Nederlands meer, alleen maar Duits. Dus ik werd vreselijk gepest. Het was de tijd van 'Mof, breng m'n fiets terug... Ik kon er niet tegen. Het maakte me agressief en ik vocht erop los. Als het moeilijk werd liep ik weg van school en van huis, daar was ik in Duitsland al mee begonnen.  Commando'sAls jongetje van tien jaar werd hij voor drie maanden naar 'De Zandbergen' gestuurd. Hij herinnert zich nog goed het militaristische karakter van het kamp. 'Alles ging op commando: opstaan, voor je bed staan, je bed rechttrekken, tanden poetsen, ochtendgymnastiek in het bos, dan pas in de rij voor het 'pinkelen en pankelen' (naar het toilet gaan. Red.), het vlag hijsen, eten, de lessen.. Vrije expressie ontaardde bij ons in vrije agressie. Tijdens dat vak kon je je lekker uitleven. En verder: dennenappels verzamelen voor het fornuis, het verplichte schrijfuurtje voor brieven naar huis, enzovoort. Je enige vrijheid was als de leiding sliep en gelukkig waren er een paar die zeer vast sliepen. Langs de leuning's Avonds laat gleed Kees, meestal in gezelschap van een kameraadje, uiterst voorzichtig langs de leuning -de trap kraakte te veel- in de villa 'De Zandbergen' naar beneden. Buiten lonkte de vrijheid, het avontuur. Wat deed hij dan? Kees: 'Ach, niets bijzonders. Beslist geen criminele dingen. Dat heb ik trouwens nooit gedaan. Slechtere dingen dan wat fruit pikken, heb ik nooit uitgespookt. Nee, vaak stonden we ergens voor een raam naar binnen te kijken hoe andere mensen leefden. Daar kon ik geen genoeg van krijgen. Die warmte van een echt gezin, dat was volkomen vreemd voor me. Een andere, onaangename herinnering komt boven. 'Ze hebben me eens twee dagen met een bord vis voor m'n neus laten zitten, omdat ik het verdomde dat op te eten. Ik eet trouwens nu nog geen vis. Op 't laatst stond de schimmel erop. Toen werd het eindelijk weggegooid.' Fijne herinneringen heeft hij nog aan het klooster, vlak over de grens in Duitsland. 'Ik was er een regelmatige bezoeker en kreeg er koek en thee. Ze dachten dat ik gewoon een Duits jongetje was. Dat was wel weer een voordeel.' Beslissend Die drie maanden in 'De Zandbergen' zijn volgens Kees Staal beslissend geweest voor de rest van zijn jeugd en eigenlijk voor zijn verdere leven. 'Ik was nu helemaal niet meer te handhaven en verzette me tegen elke vorm van macht. Ik had in Losser ontdekt dat ik over de eigenschap beschik dat ik mensen kan beïnvloeden, zowel negatief als positief. Dát laatste pas ik nu toe in mijn werk, maar vroeger was het vooral dat eerste wat ik interessant vond. Ik kon mensen meeslepen. Ik ben in Losser ook iemand geworden die zich niet aan personen hecht. Dat is tot op de dag van vandaag voor mezelf ook heel erg moeilijk. M'n ouders wisten echt niet meer wat ze met me aan moesten. Later zijn ze uit de ouderlijke macht ontzegd. Ik kwam toen onder een Voogdijvereniging. Jarenlang ben ik van het ene tehuis naar het andere en van het ene pleeggezin naar het ander geplaatst. Ik had er m'n buik van vol. Op een Rotterdamse school heeft een leraar ooit m'n vinger gebroken door een tik met een liniaal, omdat ik linkshandig was.'
Ommekeer Na de LTS bezocht Kees de school voor Scheepswerktuigkunde. In die periode bezocht zijn vader hem een keer. Drie dagen later kreeg Kees bericht van zijn dood. Dat maakte zo'n diepe indruk op hem dat hij acuut de school verliet en aan het zwerven sloeg. Uiteindelijk kwam op de Holland Amerika Lijn terecht, waar hij het erg naar zijn zin had, maar de militaire dienst riep hem naar Den Haag. Hij belandde op den duur -hoe kan het anders -in Nieuwersluis wegens 'verboden wapenbezit' en dat betekende het einde van z'n militaire 'loopbaan'. Na de diensttijd belandde hij ook weer in verkeerde kringen in de Haagse 'Schilderswijk', maar opeens trad er een ommekeer in zijn denken op. 'Ik realiseerde me opeens dat ik met m'n twintig jaar een volwassen mens was en wilde niets meer met Voordij verenigingen enzovoort te maken hebben. Ik wilde helemaal verantwoordelijk voor mezelf zijn. Opnieuw beginnen.' Hij kocht een krant en prikte: een baan in de horeca in Den Briel, met -voor het eerst van z'n leven -een eigen kamer. Hij arriveerde er 'met niets'. 'Ik was zo weggelopen. Wat ik aanhad was m'n enige bezit.'.
CarrièreDaarna ging het bergopwaarts met Kees Staal. Hij leerde zijn vrouw kennen, trouwde en zij kregen twee kinderen. Hij werkte 21 jaar bij DOW Chemical, waar hij carrière maakte. Van hieruit startte zijn belangstelling voor bedrijfsautotrainingen. In december ging hij er weg en begon voor zich zelf. Afsluitend zegt hij: 'Nogmaals, door mijn kinderen ben ik weer aan m'n jeugd herinnerd. Ik ben naar Duitsland met ze geweest en heb ze de plek aangewezen waar ik gewoond heb en naar school ging. Ik vertel er nu vrijelijk over. Iedereen mag alles van me weten. Het kan me niets meer schelen. Alleen het heden telt.'
ZE WETEN HET NOG ALS DE DAG VAN GISTEREN WIL EN COR BOOT
'Het pomphok staat er nog,' zegt Cor Boot, met de vergeelde plattegrond van het complex van 'De Zandbergen' in zijn hand. Hij vervolgt: 'De rest is allemaal weg: het 'Grote Huis' waar ik ook een kamer had, de barakken die als groepsverblijven dienden, de 'Berghut' waar onder meer directeur Laus Teepe en de dames van de huishouding woonden, en niet te vergeten het 'Pinkel en Pankelhok'. De villa 'De Zandbergen' stond vooraan op een open plek in het bos. Op de plek waar toen ons sportveld was, staat nu het hoofdgebouw van 'De Ravenhorst.' Ze weten het nog als de dag van gisteren, Cor Boot en zijn vrouw Wil. We zitten in de gezellige huiskamer van hun woning een nieuwbouwwijk van de gemeente Huizen, waar- onder de belangstellende blikken van poes 'Misty', konijn 'Annabef en cavia 'Gittau' -door beide echtelieden herinneringen worden opgehaald aan de geschiedenis van 'De Ravenhorst'. Daarbij behoort ook de vroegste geschiedenis van dit centrum, te weten die van voorloper 'De Zandbergen', de oudste BJ-vestiging in de bossen van Losser. Van de fraaie oude villa, die destijds ten behoeve van de nieuwbouw van 'De Ravenhorst' gesloopt werd, bewaren zij nog altijd een sfeervol schilderijtje in hun kamer. BJ stond toen voor Bijzondere Jeugdzorg en viel destijds onder het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Algemeen directeur was de heer Schats.
'De Zandbergen' was in die jaren een kamp voor telkens 52 jongens van 10-12 jaar uit de grote steden in het Westen, die 'moeilijk gedrag' vertoonden. Een verblijf van drie maanden in de bossen, waar hen nog eens goed verteld werd 'hoe het allemaal hoorde' zou hen goed doen en in die tussentijd kon 'het thuisfront' ook weer een beetje op adem komen. Dat was de filosofie in die tijd.
Het zijn voor een groot deel gemeenschappelijk herinneringen die al pratend en van de hak op de tak springend, boven komen. Immers Cor en Wil (destijds Wil Fase) hebben elkaar in Losser leren kennen en er gedurende een kleine drie jaar onder één dak gewerkt. Er sprong destijds echter nog geen vonkje tussen hen over, maar toen zij elkaar in september 1973, tijdens een door Wil organiseerde reünie, opnieuw in de ogen keken, was het meteen voor elkaar en waren zij binnen drie maanden getrouwd. Het echtpaar kreeg een dochter. Overigens functioneerde het Losserse kamp niet alleen voor hen als huwelijksbureau. Ook Anneke Westbroek en Piet Kavelaars leerden er elkaar kennen en traden in het huwelijksbootje. Avontuurlijk Wil (53) kwam een jaar eerder op 'De Zandbergen' dan haar man, namelijk in 1958. Ze werd aangesteld als' dame van de huishouding' en plaatsvervangend groepsleidster. Ze vertelt: 'Ik kwam uit Den Haag, waar ik een poosje op een kantoor had gewerkt. Daarnaast had ik veel belangstelling voor jeugdwerk. Ik was onder meer leidster bij de padvinderij. Het werk op 'De Zandbergen trok me wel. Het leek avontuurlijk.' 'Stuurman' Boot, zoals ze hem in Losser noemden (57), geboren in Den Helder, 31 was onderwijzer en hij solliciteerde in 1959 (met succes) naar een zelfde functie in Losser. Hij had enige tijd in Amsterdam biologie gestudeerd, wat hem niet echt interesseerde en ook hij was op zoek naar een nieuwe uitdaging.
Pinkel- en Pankelhok De verhalen komen los. Eerst een uitleg van die merkwaardige benaming 'Pinkel en Pankelhok'. Cor Boot: 'Dat was het toilethuis. 'Pinkelen'is in Twente 'plassen' en wat'pankelen' dan is laat zich wel raden. In het 'Grote Huis' was maar één toilet en dat was voor de staf. Dus al die 52 kinderen stonden een paar keer per dag -je weet hoe dat gaat: allemaal tegelijk -in de rij voor dat toilethuisje buiten. Wat een primitieve ellende!' 'Het Pinkel en Pankelhuis werd iedere dag met lysol schoongemaakt,' weet zijn vrouw zich te herinneren.
Er is nog een ander hok dat herinneringen oproept: het 'afwashok'. Wil Boot: 'Dat was een klein schuurtje tegenover het huis. Er stond een enorme waterketel. Iedere morgen ging de kok, Bernard Rolink, er met een schop kolen naar toe en maakte het vuur eronder aan. De dames van de huishouding, Anneke en ik, moesten dat vuur dan brandende houden. Het was allemaal ontzettend primitief. Een hoop jongetjes plasten nog in bed. De 'Pinkellakens' moesten gewassen worden. Met koud water, er was niets anders. Je handen vielen er bijna af.'
Zoek de zonzijde Cor Boot: 'Iedere ochtend vond er een heel plechtig ritueel plaats. Dan moesten alle kinderen zich verzamelen voor het vlag hijsen. 'Cap', van 'captain', Laus Teepe hield dan een toespraak. Een vermanend praatje, gecombineerd met zo'n boodschap van 'zoek de zonzijde'. Bij Teepe dacht ik altijd aan de AJC. Ik weet niet of hij er ooit bij behoord heeft, maar in ieder geval kende hij wel alle liedjes. Hij was verkenner geweest bij de padvinderij. Als het maar enigszins naar voorjaar riekte, dan liep hij al in een korte broek met kniekousen rond. In die tijd kwam meneer Snel, de hoofdonderwijzer van de Christelijke school in Losser, iedere woensdagavond naar het kamp om 'zijn boodschap uit te dragen'. Er is een school in Losser naar hem genoemd. Diezelfde avond kwam ook de kapelaan en ik zorgde voor de geestelijke welstand van de humanisten.'
Vitamientje Boot vervolgt: 'Over de kok, Bernard Rolink, valt nog wel een en ander te vertellen. Heer en meester in zijn eigen domein. Wat je noemt een persoonlijkheid. Eén van zijn vele eigenaardigheden was om altijd pannenkoeken te serveren in combinatie met bakken vol sla. Daar had hij hele theorieën over op het gebied van spijsvertering. Echter een paar keer per jaar kwam 'Vitamientje' langs. Dat was een mevrouw van de Voedingsraad, die kwam kijken of we wel gezond aten. De sla-theorieën van Bemara waren haar ook te machtig. Ze zag er niets in. En Bernard maar uitleggen... De kinderen die aangewezen waren om hem te helpen kolossale hoeveelheden sneden brood te smeren, berispte hij altijd luidkeels met 'niet stekk'n , maar krabb'n' Ik denk dat menige oud-leerling dat zich nog wel met een glimlach kan heugen. Bernard hield kippen en bijen en hij kweekte mooie bloemen. Hij was een universeel genie en een groot filosoof. Hij wist iedereen te overleven en ruzies te voorkomen. Maar één ding kon hem razend maken: als iemand iets op z'n eten aan te merken had. Dat nam ie niet...'
Verstellen Wil Boot: 'Vaste bezoeksters van 'De Zandbergen' waren de twee naaisters uit het dorp die een paar dagen in de week al de kapotte kleding van de kinderen kwamen verstellen. Ze zaten in de 'Verblijfzaal' te werken. Handige goochelaars. Je moet je realiseren dat er natuurlijk heel wat kapot ging in die zes weken. De kinderen hadden bepaald geen koffers vol kleren bij zich, want hun ouders zaten meestal niet erg royaal bij kas. Vlak voor de jongens weer naar huis gingen, zaten we allemaal, de mannen net zo goed als de vrouwen, in de serre truien te stoppen, om er voor te zorgen dat de kinderen weer fatsoenlijk naar huis konden gaan... Als de eerste zes weken om waren - het kamp was dan dus op de helft -was er ouderdag. Dan maakten we een enorm feest met opvoeringen.'
Noodsituatie 'Op een dag kwam Peter Damhuis van de huishoudelijke dienst bij me -ik verving toen Teepe, die ziek was -met de mededeling dat er geen onderbroekjes meer voor de jongens waren,' schiet Cor Boot te binnen. 'Ik stuurde hem als de bliksem naar een groot warenhuis in Enschede om een flinke portie goedkope onderbroeken te kopen. Over die beslissing is wel een half jaar lang gecorrespondeerd met het ministerie. De aankoop had via het Rijks Inkoop Bureau moeten gebeuren. Reden waarom ze mij het bedrag niet wilden vergoeden. Ik legde uit dat het om een noodgeval ging en dat de broekjes zes weken te laat zouden zijn gearriveerd als we de officiële weg bewandeld hadden. Maar nee, ik trof geen enkel begrip aan. Tenslotte zei ik: houden jullie je geld maar, ik betaal het wel uit m'n eigen zak. Toen maakten ze het de volgende dag aan me over...'
Hoe vonden Wil en Cor Boot de omstandigheden waaronder ze moesten werken? Cor: 'Als ik er achteraf goed over nadenk: 'pure slavernij'. Je moest eeuwig beschikbaar zijn. Als onderwijzer maakte ik 80 a 90 uur in de week en als de les voorbij was moest ik weer ergens anders inspringen. En dat allemaal voor het laagste salaris dat een onderwijzer maar kan verdienen. De groepsleidingverdiende helemaal een schimmetje. Zo weinig dat ze niet eens in de weekeinden naar huis konden gaan. Eenmaal in de zes weken kreeg je een lang weekend. Dan mochten we bij Arie Tempelman, de administrateur, reisbonnetjes van het ministerie halen. Die kon je bij de spoorwegen omwisselen voor een treinkaartje.' Wil: 'We verdienden weinig maar het verhaal is niet compleet als ik er niet bij vertel dat we een opleiding Kinderbescherming mochten volgen, die aansluiting gaf op de Sociale Academie. De meesten van ons hadden namelijk geen enkele opleiding in de kinderopvang. Een soort 'koppelverkoop' dus. Je werkte vrijwel voor niks, een zakcentje, maar je had natuurlijk ook weinig kosten: kost en inwoning waren gratis. Daarvoor in de plaats mochten we drie maal per jaar, in de periodes dat er geen jongeren waren, deelnemen aan een cursus in het Mr.De Jongh huis in Lochem. Ik heb zelf de Kinderbeschermingscursus B niet afgemaakt, maar zo zijn er, via de kampen, bergen groepsleiders opgeleid tot sociaal werker.'
Hebben jullie toch ook wel gelachen? Cor: 'Zeker, we hebben daar hele leuke dingen met de jongens beleefd. Voor ieder kamp hadden we een bepaald thema, de ene keer 'ontdekkingsreizigers', de andere keer 'Indianen' enzovoort. We boften dat we natuurlijk in een geweldig geschikte omgeving zaten om er op uit te trekken. Vaak wipten we ongemerkt even de Duitse grens over.' Zijn vrouw: Weet"jij nog dat ik zogenaamd ontvoerd was? Ik lag vastgebonden en met een doek voor mijn mond in een droge greppel. En de jongens maar zoeken. Het duurde zo lang dat ik in slaap ben gevallen. Inmiddels was de Duitse douane voorbijgekomen, die keek heel gek toen ze me daar zo zagen liggen. Het duurde even voor ze door hadden dat het flauwekul was. Sommige kinderen geloofden het echt. De dagen erna werd ik reuze beschermd.' Cor: 'Ja, we brachten het heel overtuigend. Bij die tochten in het grensgebied zei ik dikwijls tegen de jongens om de spanning te verhogen: 'Als de douane ons pakt dan zijn we 'het haasje'. Dan moeten we mee naar Gronau dagenlang aardappels schillen.' En echt de meesten geloofden het .. '
Havermoutpap'Wat Rolink betreft heb ik nog een aardige anekdote. We woonden allemaal intern, behalve Peter Damhuis en hij. Ons kamp was vanaf het dorp alleen maar te bereiken via een modderig zandpaadje, dat leidde naar een bruggetje over het riviertje de 'Dinkel'. Als het erg geregend had stroomde de 'Dinkel' over en waren we volledig van de buitenwereld afgesloten. Op een dag was het weer zover. Bernard kon er dus niet door. Toch moesten de kinderen hun dagelijkse portie havermoutpap eten, daar stond hij op. Dus belde hij op en belastte mij met het verzorgen van de pap. Ik wist van toeten noch blazen en riep Anneke erbij. Het ging heel aardig tot het moment waarop we suiker moesten toevoegen. Ik had geen idee hoeveel, maar Anneke zei vastberaden: drie blikjes. Later hebben we Bernard toch maar gebeld, want het resultaat was niet te eten zo zoet. Toen bleek dat een half blikje voldoende was geweest.' Hoe is het jullie verder vergaan? Wil: 'Ik heb nadat ik 'De Zandbergen' in. 1961 verliet, nog tijdje in een kindertehuis in Amstelveen gewerkt en vervolgens bij bureaus voor school- en beroepskeuze in Amersfoort en Arnhem. Nadat ik Cor ben tegengekomen op de reünie en we getrouwd zijn, heb ik niet meer gewerkt.' Cor: 'Eerst heb ik in Aekinga gewerkt, ook als onderwijzer. Daar beviel het me niet, ik was er na een half jaar uitgekeken. Daarna ben ik naar de "Overberg', een internaat van Justitie in Amerongen gegaan. Vervolgens naar 'De Vluchthaven" in Amsterdam, een gemeentelijk opvanghuis voor jongens met voorarrest. De Kinderpolitie noemde het 'De Ontvluchthaven', nou dat begrijp je wel hoe laat het was. Men liep er in en uit. Het laatst heb ik gewerkt in een categoraal ziekenhuis voor astmapatiënten in Hilversum. We woonden eerst in Bunschoten en sinds vijftien jaar wonen we nu in Huizen.' VriendschapOnderhouden jullie nog contacten met mensen van 'toen': collega's of kinderen? Wil: 'We zien nog altijd regelmatig de buren van 'De Ravenhorst': boer Elferink en zijn vrouw. Die vriendschap dateert uit de periode 'De Zandbergen'." Ik weet nog dat mevrouw Elferink bevallen was en wij vanuit het kamp afgevaardigd werden voor het kraambezoek. In Twente betekent dat: aan de bessenjenever gaan. Natuurlijk moesten we eraan geloven... Verder heb ik nog altijd met Kerstmis schriftelijk contact met het echtpaar Kavelaars: Anneke Westbroek en Piet Kavelaars. Ik heb een paar keer met verschillende jongens gecorrespondeerd. In. het begin was dat erg leuk. Brieven kwamen vaak na jaren nog binnen. Ik heb zelfs nog een trouwfoto van één van de jongens. Maar ach, op de duur verwatert het. Cor: ' Als die kinderen na drie maanden weggingen, dan was je daar toch wel een beetje kapot van. Je was net aan hen gehecht geraakt. Het Was dan zo stil in het kamp. Doodstil. je had het gevoel dat je een aantal dierbaren was verloren...'
'WE WAREN ÉÉN GROTE FAMILIE IN LOSSER' JOHANNES HOFMAN
Als je uit de talloze statements, visies en opmerkingen over Johannes Hofman - gedaan tijdens de verschillende interviews ten behoeve van dit gedenkboek - een portret van hem zou moeten opbouwen, dan zou dat er ongeveer zo uit zien: als persoon: - een beminnelijk mens
- permanent een sigaar in zijn mond
- een grote behoefte aan vriendschap en gezelligheid;
als internaatsdirecteur: - een duidelijke, maar ook zachtmoedige, tolerante leider
- krachtige persoonlijkheid, die niet schroomde ingrijpende beslissingen te nemen; zo was hij de eerste directeur die het 'vlaghijs - ritueel' afschafte
- iemand die zeer betrokken was bij het wel en wee van het personeel
- iemand die ALLES over had voor de kinderen.
Kortom: de 'periode Hofman', het tijdvak van maart 1962 tot mei 1976, is een stuk geschiedenis van 'De Ravenhorst', waarop deze directeur een waardevol stempel heeft gezet. Een stempel, waarvan iedereen die in genoemde periode met 'De Ravenhorst' te maken had, met gevoelens van waardering, persoonlijke ervaringen en anekdotes, kan getuigen. Bij zijn vertrek kreeg hij een gedenkboek mee, waaraan velen in de vorm van foto's, tekeningen, verhalen en gedichten hun bijdrage hadden geleverd. Dit 'liber amicorum' (Latijn voor 'vriendenboek') vormt nog steeds een van de meest waardevolle bezittingen van huize Hofman. Overigens houdt de BJ-carriere van Hofman allerminst op bij zijn vertrek in mei 1976 van 'De Ravenhorst'. Hij gaf nog tot 1987 in dezelfde functie leiding aan internaat 'Aekinga' te Appelscha, waar hij nog altijd met zijn echtgenote Anita woont. Medio april is het zover: het interview met 'hekkesluiter' Johannes Hofman. Wegens omstandigheden laatste in de rij. Het 'compositieportret' lijkt op het eerste gezicht goed te kloppen: we treffen een vriendelijke, gezellige prater aan, vol verhalen over de inhoud van de functie die hij bekleed heeft, over zijn medewerkers en vooral over de kinderen. Alleen de sigaar ontbreekt anno 1991...
Dienstweigeraar We nemen een duik in het verleden, waarbij Johannes' echtgenote Anita regelmatig assisterend en corrigerend optreedt. De eerste voetstappen van de zeer jeugdige, pas afgestudeerde onderwijzer Johannes Hofman bij BJ (destijds VBS: Vorming Buiten Schoolverband), dateren uit de tijd dat hij als dienstweigeraar werd geplaatst bij internaat Rovérestein. Zijn loon was net als voor dienstplichtigen gold - f.1,1O per dag. Daarna volgde overplaatsing naar het internaat te Dieverbrug, waar hij bleef hangen toen zijn vervangende diensttijd afgelopen was. In 1962 verzocht de BJ-leiding Johannes om spoorslags 'De Ravenhorst' te komen versterken. Reden: directeur Teepe was overspannen geraakt. Directeur Laus Teepe zou nooit meer in zijn functie terugkeren op 'De Ravenhorst'. In 1963 trouwde Johannes met Anita en zij kwam bij haar man op 'De Ravenhorst' wonen. Vanaf dat moment werd Johannes Hofman met terugwerkende kracht tot directeur benoemd. Hij was toen 26 jaar. Wat trof Hofman in 1962 aan op 'De Ravenhorst'?'Wat ik me in de eerste plaats herinner was de kennismaking met Teepe. Hij zou me rondleiden. Teepe was op en top een natuurmens. Hij liet me alles zien: de bomen, de planten, de zandverstuiving... Toen hij me zou voorstellen aan een groep, was hij op. Hij kon niet meer. Hij was zeer verknocht aan 'De Ravenhorst' en heeft nog lange tijd op het terrein gewoond, zelfs in de nieuwbouw-woning voor de directeur. Anita en ik hebben twee jaar in het gedeeltelijk onbewoonbaar verklaarde theehuis gewoond. We begrepen het maar al te goed...'
Kampthema's Kampthema's Hij vervolgt: 'Het internaatswerk was destijds opgezet vanuit de visie de kinderen via één groot spelprogramma allerlei opvoedkundige elementen bij te brengen. De directeur werd met 'captain' aangesproken, de groepsleider met 'stuurman'. De kinderen verbleven destijds drie maanden op het internaat. Voor iedere groep werd een kampthema gekozen. Dat kon zijn een Ridderkamp of een Volkerenkamp, bijvoorbeeld Schotland, Frankrijk, Israël enzovoort. In het Olympisch jaar lag voor de hand dat het thema de Olympische Spelen was. De mogelijkheden waren onuitputtelijk. Telkens na een periode van zes weken, werd een ouderdaggeorganiseerd. Dan konden de kinderen hun ouders 'tracteren' op wat ze allemaal geleerd hadden. Het drie-maands-internaat had het voordeel dat je steeds een vast patroon kon herhalen. Zo waren er altijd per kamp vier groepsdagen waarop de ene groep zichzelf aan de andere voorstelde. Er was een spelletjesdag, waarop vooral werd 'gekiend' en de zogenaamde KIM-spelletjes, die opgehangen waren aan de zintuigen, werden beoefend.
Het hele internaat, in al zijn aspecten, speelde op zo'n thema in. Je vond het thema terug in het onderwijs, in het leven in de groepen en in de vrije tijdsbesteding. Zelfs de kok, Bernard Rolink, iemand op wie ik bijzonder gesteld was, paste zijn eten aan. Als er een Israëlisch kamp was dan zorgde hij voor matzes en linzen...' Creativiteit 'In die tijd lag de klemtoon bij het verblijf op het internaat op creativiteit en niet op onderwijs. Er kwamen wel eens klachten dat kinderen tijdens hun verblijf bij ons in dat opzicht wat achterop geraakt waren, maar daar heb ik me nooit veel van aan getrokken. De winst die de kinderen opdeden in de vorm van de grote persoonlijke beleving van het creatieve programma, achtte ik veel en veel belangrijker. Welke aandacht creativiteit in die tijd had, blijkt wel uit het feit dat er een aparte creatieve leider en een handenarbeid leider waren. Terugdenkend herinner ik me de enorme motivatie voor deze aanpak bij de medewerkers. Er waren veel begaafde mensen onder, die met veel talent in muziek, dans en zang invulling gaven aan de kampthema's. Er werden hele operettes opgevoerd. De naaister verzorgde op voortreffelijke wijze alle kleding. Dat waren echt culturele hoogtepunten! Met veel spijt heb ik dan ook moeten constateren dat de waardering voor creativiteit in de loop der jaren behoorlijk verloren is gegaan.'
Paternalistisch 'De opvattingen destijds over het internaatswerk waren heel anders dan nu. Autoritair? Nee, dat is niet de juiste term. Paternalistisch is beter. Bezorgd, vaderlijk... De democratiseringsgolf heeft dat beeld doorbroken. De leiding was strikt aan allerlei regéls en verplichtingen gebonden. Zo was er bijvoorbeeld de werkinspectie. Iedere zaterdagochtend hadden de kinderen anderhalf uur corvee. Dan moesten ze de groepsverblijven schoonmaken en hun kastjes opruimen. Vervolgens kwam de directeur persoonlijk de zaak inspecteren.'
Vlaghijsen 'Het vlaghijsen was ook zo'n verplichting. Mijns inziens overbodig. Ik ben dan ook de eerste BJ-directeur geweest die het heeft afgeschaft.' Waarom? 'Ik vond het een ritueel dat opvoedkundig weinig of geen waarde had. Iedereen zal begrijpen dat ik als dienstweigeraar niet bepaald het milieu vertegenwoordigde waarin men zo gek was op de vlag... Maar algemeen directeur Schats was niet erg gelukkig met m'n standpunt, zo vernam ik. Als directeur was je destijds zeer betrokken bij de kinderen. Je had een eindfunctie, die tevens een beetje een 'boeman-functie' was. Dat betekende: het voorbeeld stellen en soms straf uitdelen aan kinderen die zich niet aan de regels hielden of de beest uithingen. Eén van mijn theorieën was dat de straf die je uitdeelde, in overeenstemming moest zijn met de overtreding. Toch heb ik achteraf de indruk dat er toen eerder gestraft werd dan tegenwoordig.' Hoe vonden de kinderen het op De Ravenhorst'? Hofman: 'De meeste kinderen kwamen met het idee dat ze op vakantiekamp gingen. Zo werd dat destijds 'verkocht'. Maar de ouders en de internaats medewerkers wisten wel beter: het betrof altijd een situatie met -vaak gecombineerde - school- en opvoedingsmoeilijkheden. De tijdelijke rustperiode .van drie maanden moest een bepaalde ontspanning met hopelijk een blijvend karakter, opleveren. Ik had sterk de indruk dat de meeste kinderen zich bij ons uitstekend vermaakten, en het jammer vonden dat ze weer moesten vertrekken. Natuurlijk waren er ook uitzonderingen. Voor sommige kinderen was het verblijf op 'De Ravenhorst' vrij ingrijpend omdat zij vrij langdurig uit hun thuismilieu weggehaald werden.'
Afhankelijk 'We waren als het ware één grote familie. De medewerkers woonden, op een enkele uitzondering na, allemaal intern. We waren heel sterk van elkaar afhankelijk. Over de groepsleiders van toen valt veel te vertellen. Zij waren niet, zoals nu het geval is, yoor dit vak opgeleid. De meesten kwamen zo van de MULO. Zij kregen een contract voor maximaal vijf jaar, dat opgesteld was in samenhang met de Sociale Academie. Na elk kamp gingen zij veertien dagen op cursus bij één van de Academies, die in Groningen, Enschede en Eindhoven gevestigd waren. Bij aanvang van hun werkzaamheden kregen ze in Lochem een inleidende cursus van tien dagen en na een half jaar nog eens een herhalingscursus en dan werden ze geacht goed met kinderen 'te kunnen omgaan. In die tijd bleven de groepsleiders gemiddeld ongeveer twee jaar. Zij mochten niet getrouwd zijn. Van een stabiele situatie op het internaat was dus geen sprake. Er was veel wisseling in de leidinggevende functies.' Hoe beleefde de jonggetrouwde Anita haar verblijf op 'De Ravenhorst?' 'Ik had er behoorlijk tegenop gezien,' wil zij wel bekennen. 'In de loop der tijd kreeg ik op het internaat wel enkele goede individuele contacten, maar ik was toch' de vrouw van de directeur' en dat feit schiep een afstand. Bovendien heb ik in mijn periode op 'De Ravenhorst' enkele malen te maken gehad met pleegkinderen en dat viel me niet mee. Ik vond het heel zwaar. Alleen was ik echter nooit. We hadden altijd wel bezoek van familie of studenten. Achter ons huis stond een stacaravan. Die was vrijwel permanent bezet met logees. Al snel kregen Johannes en ik zelfkinderen: een dochter en een zoon.' Heel goed herinnert Anita Hofman zich ook nog de verjaardagen van haar man. 'Die hadden zo ongeveer de status van een Koninginnedag. Ik had emmers klaar staan voor alle bloemen die de kinderen plukten en kwamen brengen. 's Middags werd er dan altijd toneel gespeeld en er waren allerlei spelletjes voor de kinderen.'
Richtprijs Johannes Hofman: 'Het was de kunst zoveel mogelijk 'feestdagen' te creëren. Dan was namelijk de richtprijs voor de voeding op f1.35 gesteld. Op 'normale' dagen was de richtprijs f.l.10. In andere internaten was de voedingsprijs de absolute top. Voor mij was het meer dan een richtprijs. Ik probeerde er altijd een beetje boven te komen. Overigens was het eten op 'De Ravenhorst' niet slecht. Rolink, die eigenlijk geen professionele kok was -hij was banketbakker -maar zich het koken had aangeleerd en die allerlei 'systeempjes' kende, kookte uitermate sober, maar wel degelijk.'
Anita: 'Ik denk nog wel eens terug aan de Sinterklaas-avonden op het internaat, waarvoor we altijd geld kregen van de VARA-speelgoedactie. Dan liet de groepsleiding pas zien tot welke creatieve hoogstandjes zij in staat was met allerlei eigengemaakte spelletjes. Er waren hele inventieve dingen bij, zoals de 'stroomdraad-spelletjes' die je nu op de tv ziet. En zo herken ik wel meer dingen.' Lachend: 'Volgens mij hebben ze een hoop van ons gepikt!' De Sinterklaas-avonden hadden een kermisachtig karakter. Er was bijvoorbeeld ook een waarzegster.' In het BJ-werk anno 1991 ligt de nadruk op terugkeer naar het onderwijs en toeleiding naar werk. Wat gaat er in u om wanneer u de huidige doelstellingen vergelijkt met die van destijds?  Hofman: 'Er is sprake van golfbewegingen. Nu bevinden we ons in de top van de beweging die predikt: 'Gij zult werken voor uw brood'. Twintig jaar geleden was de gedachte achter de golfbeweging dat we ons moesten voorbereiden op een vrije tijdsmaatschappij. Eén waarvoor mensen creatief uitgerust moesten zijn. Ik heb al die verschillende ontwikkelingen meegemaakt. Allerlei verschuivingen in het werk zien optreden.. Van drie maands internaat naar jaar-internaat. Experimenten met kampen voor LOM-kinderen. Het nieuwe management dat zijn intrede deed, legde veel meer de nadruk op zakelijke belangen dan op persoonlijke. Een goed voorbeeld daarvan vind ik nog altijd de komst van de ouderbijdrageregeling, waardoor ouders met de laagste inkomens relatief het zwaarst worden gepakt. Het werkelijke motief werd niet verteld: een drempel creëren. Ervoor zorgen dat de gang naar het internaat niet automatisch gezet kon worden. Men moest er veel voor over hebben.' Zo hebben we ook de democratiseringsgolf gehad. Het principe was goed: we doen dingen met elkaar, dan moeten we ook samen een koers bepalen. Maar sommige dingen slaan door. Dit ook. Het hoeft van mij niet echt dat de kok over het beleid meedenkt, om maar iets te noemen. Op een gegeven moment werd een nieuw evenwicht gevonden. Toen ik wegging waren er goede, hanteerbare afspraken van kracht.' Zwak voor kinderen Er zijn bij BJ theorieën dat je elke vijf jaar van baan moet veranderen. De noodzaak daarvoor heb ik nooit ervaren. Ik zag mijn baan steeds veranderen. Vroeger was een directeur veel directer betrokken bij het werk dan nu. Je stond veel dichter bij de jongeren. Ik heb nog wel zelf voor de klas gestaan... Je kiest voor dit werk omdat je een zwak hebt voor kinderen die het in deze maatschappij moeilijk hebben. Na 25 jaar kom je dan tot de ontdekking dat je alleen nog maar organisatorisch bezig bent. Dat je geen kind meer ziet... Ik heb dat altijd enorm betreurd.'
'DE JONGETJES VAN TOEN MAKEN NU NÓG HUN BED OP' PETER DAMHUIS
't Is dat hij het zo graag wilde doen, dat werken voor die kinderen op het internaat... Veel mensen begrepen het niet, want hij verdiende vroeger maar een schijntje. Het was bijna vrijwilligerswerk. Werken, werken en nog eens werken. Gelukkig begreep ik het wel. Het was zijn leven...,' zegt de vrouw van Peter Damhuis. Haar man knikt: ja, zo was het precies. Een vriendelijke eengezinswoning aan de Narcisstraat in Losser. Peter Damhuis (61) is al ruim vier jaar met pensioen thuis. Hij maakte op de leeftijd van 57 1/2 jaar gebruik van de mogelijkheid om vervroegd uit te treden. Vanaf 1982, het jaar waarin hij een hernia kreeg, werkte hij al halve dagen. Hij zegt: 'Er dienden zich grote veranderingen aan bij het Bijzonder Jeugdwerk. Ik zag die bui hangen... Na zoveel jaren had ik daar geen zin meer in." Peter Damhuis kwam in 1959 als magazijnmeester/materiaalbeheerder werken op 'De Zandbergen', de voorganger van 'De Ravenhorst'. Drie jaar later, in 1962, werd de grote, oude villa afgebroken en werd de op hetzelfde terrein gelegen nieuwbouw betrokken. Als enige geïnterviewde kan Peter Damhuis bogen op ervaring met vijf directeuren: Laus Teepe, Johannes Hofman, Wouter van Loon, Cor Struik en Phlip Visser. Verder 'versleet' hij zes koks en tientallen groepsleiders en onderwijzers. Hij zegt: 'Ik denk dat ik de enige ben die zo lang -28 jaar -bij 'De Ravenhorst' gewerkt heeft en die nog in leven is...'
Padvinderij Peter Damhuis was al actief werkzaam bij de jeugdbeweging voor hij met het jongenskamp in Losser in aanraking kwam. Dat had hij gemeen met directeur Laus Teepe, die oprichter was van de verkenners. Damhuis: 'De organisatiestructuur leek sterk op de padvinderij. Teepe liet zich 'kapitein' noemen. De andere medewerkers -ik dus ook -waren 'stuurman'. Wat waren zo uw dagelijkse besognes? 'Als magazijnmeester/materiaalbeheerder moest ik de zaak draaiende houden. Ik had de zorg voor de gebouwen en kwam daardoor regelmatig in contact met de Rijksgebouwendienst. Iedere ochtend van 8.30 uur tot 9.30 uur was ik aanwezig in het magazijn om de kinderen te voorzien van kleding. Je moet het zo zien: het waren doorgaans niet de rijkste kinderen die bij ons terecht kwamen. Ze hadden dan ook weinig kleren bij zich. Wat ze hadden moest natuurlijk regelmatig gewassen worden en dan waren ze het een paar dagen kwijt. Gelukkig beschikte het magazijn voor de noodzakelijke aanvullingen.'
Echtscheiding 'In die tijd zorgden de contactambtenaren van CRM ervoor dat er regelmatig bussen vol kindertjes kwamen aanrijden die drie maanden van huis gestuurd waren. De kinderen waren nog heel jong. Ik had vaak medelijden met hen. Ze wisten vrijwel nooit waarom ze bij ons waren. Het waren bijna altijd omstandigheden buiten hun schuld, waarvan ze bovendien niet op de hoogte waren. Ouders die in echtscheiding lagen enzovoort. Naast mijn hoofdtaken kreeg ik nog allerlei dingen te doen. Zo moest ik om het weekend de kok vervangen. Dat was soms lastig. Dan kwam ik met m'n eigen werk klem te zitten.'
Directeur Teepe was gelukkig als er maar orde en regelmaat was, herinnert Peter Damhuis zich. 'Eens op seminarie, altijd op seminarie,' zei hij altijd. Hij trachtte de kinderen een portie discipline bij te brengen. Hofman heeft daar een hele tijd op voortgeborduurd. Op den duur was hij het echter die het vlaghijs ritueel, dat door Teepe was ingesteld, heeft afgeschaft. Niemand geloofde er meer in. Hofman was zeer zuinig op de spullen van 'De Ravenhorst'. Het leek wel of hij ze uit z'n eigen zak moest betalen. Ik herinner me nog dat er in de nieuwbouw linoleum gelegd werd. Toen moesten we opeens allemaal op onze sloffen gaan lopen... Verder stelde het meubilair niks voor. Een paar oude, overgeschilderde stoeltjes. De kinderen hadden niet eens een fatsoenlijke kleerkast.'
Dienstcommissie 'Dat is tot Van Loon zo gebleven. Toen stond ineens alles op z'n kop en kwamen er nieuwe spullen. Dat was niet het enige wat veranderde. Teepe en Hofman waren autoritaire mensen. Bij Van Loon kon veel meer. De mensen werden bovendien wakker. Onderwijzers en groepsleiders tilden een soort dienstcommissie van de grond. Er kwam meer deskundigheid bij 'De Ravenhorst'. Ik vond dat vanuit mijn optiek niet erg. Vroeger kwam om de drie maanden een inspecteur uit Rijswijk die alles controleerde, tot de theelepeltjes aan toe. Je werd er gek van. In de 7O-er jaren kregen we de beschikking over meer personeel en meer geld. Ik kreeg toen ook een eigen budget en mocht zelf uitmaken hoe ik dat besteedde. Dat gaf veel meer aardigheid in m'n werk. 'Wat is er veel veranderd vergeleken met vroeger,' stelt Peter Damhuis vast. Je kunt je haast niet meer voorstellen dat het waar is: één onderwijzer en vier groepsleiders voor 52 kinderen. Er waren twee dames voor de huishouding en die moesten alles maar dan ook alles doen, want werksters kende men niet bij 'De Ravenhorst'. De groepsleiding kreeg een contract voor drie vijf jaar. Als de leiding merkte dat ze met elkaar 'gingen', dan vlogen ze er uit.'
Puntensysteem Ook weet hij nog: 'Er was een puntensysteem voor orde en netheid. Iedere dag kwam bewoners en leiding bij elkaar. De leiding dronk dan koffie en de kinderen kregen een bekertje melk. Vervolgens werden punten uitgedeeld voor gedrag en gehoorzaamheid.' Zaterdagochtend om elf uur moesten de kinderen aantreden voor hun bed. Dan was er inspectie. Het frappante is dat die orde en netheid er bij de kinderen ingehamerd moet zijn. Want als die jongetjes van vroeger later nog wel eens op 'De Ravenhorst' terugkwamen, om hun vrouwen kinderen een blik te gunnen op hun verleden, dan zeiden die echtgenotes vrijwel allemaal dat het goed te merken was dat hun man in een internaat was opgevoed. Hun mannen waren opvallend netjes en opruimerig en ze maakten hun eigen bed op. Dat hebben ze er in ieder geval aan overgehouden.'
'DIE GEKLIMATISEERDE DOOS IS ER GELUKKIG NOOIT GEKOMEN' OUD-BJ-DIRECTEUR KLAAS GROEN
Lekkende daken. Een hoop geharrewar. Maar ook -en misschien wel vooral -een treffende harmonie tussen alle medewerkers. Dat zijn de associaties die oud-directeur Klaas Groen anno 1991 nog altijd heeft met BJ-centrum 'De Ravenhorst' in Losser. Klaas Groen (65) stuurde en bestuurde vijftien jaar lang -van 1968 tot 1984- het Bijzonder Jeugdwerk in roerige tijden. Hij staat bekend als een directeur die vele originele bijdragen verleende aan de modernisering van de jeugdhulpverlening in die periode in ons land. Maar niet alleen op inhoudelijk terrein betreffende het vakgebied, te weten het wel en wee van de jongeren' die buiten de boot vallen', was Groen een voorvechter. Ook in bestuurlijke zin gaf hij BJ de benodigde geïnspireerde leiding, door voor BJ in het departement een zelfstandige functie te verwerven. Deze ontwikkeling resulteerde uiteindelijk in de privatisering van dit WVC-onderdeel. Een operatie die onder leiding van zijn opvolger Han Muller werd gerealiseerd. Alhoewel Klaas Groen thans 'in ruste' is, (overigens een zeer rekbaar begrip, want hij is nog op tal van terreinen zeer actief), zal zijn naam altijd aan het Bijzonder Jeugdwerk verbonden blijven. Immers, het in Heerhugowaard gevestigde BJ-centrum, dat in september 1989 geopend werd, draagt zijn naam.
We zochten hem op in zijn woning te Lochem, in de rustige Hugo de Grootlaan, slechts een paar kilometer verwijderd van de plek waarbij een groot deel van zijn arbeidzaam leven doorbracht: het hoofdkantoor van de Stichting Bijzonder Jeugd-werk, vroeger BJ -Centraal geheten. De open haard knettert. De koffie staat klaar. Alle omstandigheden werken mee aan een ontspannen gesprek. Af en toe moeten we hem een streng halt toeroepen, want met de verhalen van Klaas Groen alleen al valt een boek te vullen. En dat is (thans) niet de bedoeling. Klaas Groen: 'Allereerst een paar algemene opmerkingen, die toch wel enigszins het Beeld van die tijd inkleuren en bovendien relevant zijn voor bepaalde ontwikkelingen die straks bij 'De Ravenhorst' terugkomen. Omdat BJ een onderdeel was van WVC, was ik regelmatig in Den Haag, later Rijswijk, om besprekingen te voeren met hoge ambtenaren en de bewindslieden. Vooral de eerste tien jaar had ik veel met ministers en staatssecretarissen te maken. Ze bemoeiden zich heel rechtstreeks met BJ, dus hadden we er belang bij ze naar de internaten te lokken! Over de contacten met Van Doorn ga ik het hier hebben. Hij vertegenwoordigde in die jaren de PPR, maar kwam heel duidelijk vanuit KVP-gelederen. Als staatssecretaris had hij naast zich de huidige commissaris van de Koningin in Drente, Wim Meijer, een PvdA-man, onder wie BJ viel.' Aanvallen 'Vanuit de KVP werd BJ al heel lang met argwaan bekeken. Deze partij vond dat BJ eigenlijk geen overheidsinstelling behoorde te zijn. In die tijd was de jeugdhulp-verlening in Nederland overwegend in confessionele handen, bijvoorbeeld de schoolinternaten werden door kerkelijke instanties bestuurd. De KVP was ervoor alle internaten in grote, particuliere, confessionele organisaties onder te brengen. 'Wij zijn tégen staatsopvoeding', was de veelgebruikte en demagogische kreet. Er kwamen dan ook constant aanvallen van RK-zijde op BJ. De ene keer vanuit het wetenschappelijk bureau van de KVP, de andere keer vanuit de KVP-fractie in de Tweede Kamer. In dat kader moet mijn eerste confrontatie met Van Doorn gezien worden. Hij nodigde me een paar keer op de lunch uit. De eerste keer was het 'aller bedreigendst'. Met een gezicht van 'wat een onzin allemaal', stelde hij me diverse aanvallende vragen, waaruit duidelijk naar voren kwam dat hij het Bijzonder Jeugdwerk eigenlijk helemaal niet zag zitten en overwoog het op te heffen. Wat hier gebeurde was niet alleen vervelend, maar eigenlijk ook heel ongebruikelijk, omdat BJ in het pakket van de staatssecretaris zat. Maar het paste wel in een anti-BJ-traditie, die bijvoorbeeld minister Klompé al bij haar eigen mensen had moeten bestrijden. Ik ging na die eerste lunch dus spoorslags naar Wim Meijer, die me geruststelde met 'flauwe grappen' en 'er is heus niets aan de hand'. Tijdens de tweede lunchafspraak, waarbij Meijer aanwezig was, legde Van Doorn me uit dat de bovengeschetste aanpak 'zijn manier' was om het snelst informatie boven tafel te krijgen. 't Is maar dat je het weet... Ik was niet geheel gerustgesteld.'
Overtuigend'Daarna heb ik m'n uiterste best gedaan om Van Doorn uitgebreide informatie over BJ te verschaffen, onder meer door bezoeken van beide bewindslieden naar BJ-internaten te organiseren. Zo heeft Van Doorn ook een keer 'De Ravenhorst' bezocht. Zijn uiteindelijke reactie was ook weer typisch voor hem; 'Ik ben thans volkomen overtuigd van de kwaliteit van je werk'. Daarna nodigde hij me zo nu en dan op de lunch 'om weer eens gezellig over BJ bij te praten'. Toen ik in 1968 bij BJ kwam, stond 'De Ravenhorst' er al in de huidige opzet. Ik heb drie directeuren meegemaakt, achtereenvolgens Johannes Hofman, die in 1976 vertrok en in '77 opgevolgd werd door Wouter van Loon. Deze ging in 1979, na twee jaar dus, weg en werd op zijn beurt weer opgevolgd door de heer Struik, de voorloper van Phlip Visser.' Opvolger Aekinga'Van de 'periode Van Loon' valt nog een aardig verhaal te vertellen, dat ook weer in verband staat met de KVP. In '78 vroeg ik Johannes Hofman directeur te worden van Aekinga in Appelscha. Voor de volledigheid: daar waren drie redenen voor. De directeur van Aekinga, Frens, was wegens ziekte uitgevallen en de situatie vereiste dat er zo spoedig mogelijk een opvolger aangesteld werd. Ten tweede: die opvolger moest een ervaren BJ-directeur zijn, geen buitenstaander. De derde reden lag aanmerkelijk gecompliceerder. In 'De Ravenhorst' waren de medewerkers en de directeur een klein beetje 'op elkaar uitgekeken'. Johannes Hofman was een uitstekende directeur, die op handen gedragen werd, maar bepaalde dingen veroorzaakten wrijving. Ik kom daar straks nog op terug.' Vooruitstrevend beleid'Het was me bekend dat de adjunct-directeur van 'Kemnade' in Groesbeek, Wouter van Loon, wel eens wat anders wilde. Van Loon had ervaring en hij was zeer snel beschikbaar. Twee pré's. Echter, hij was expliciet homofiel, Hij stak dat niet onder stoelen of banken. Hij was getrouwd geweest en had een paar kinderen, maar was gescheiden. Ik zeg 'echter', want in die tijd mocht dat al een beetje, maar toch nog niet helemaal. Aangezien Hofman, die zelf- bijvoorbeeld in zijn personeelsbeleid -een zeer tolerant man was, ook in die zin een zekere uitstraling op zijn medewerkers had gehad, dacht ik: 'Als het ergens lukt om een homofiele directeur te plaatsen, dan moet dat toch wel in 'De Ravenhorst' zijn. Verder- dat zeg ik er meteen bij -wilde ik graag demonstreren dat BJ als organisatie een vooruitstrevend, tolerant beleid kende. Dat we niet bang waren zogenaamde 'afwijkende groepen' tot onze medewerkers te rekenen. Hofman voelde wel iets voor de mogelijke snelle oplossing. Mijn volgende stap was de medewerkers van 'De Ravenhorst' op de hoogte te stellen van mijn suggestie. Tijdens een overleg kwam dit aan de orde en iedereen vond het een te overwegen idee. Vervolgens is Van Loon zichzelf in Losser gaan voorstellen.' Discriminatie'In dat stadium kreeg ik op een avond een telefoontje van het destijds zeer bekende KVP- Tweede Kamerlid Kleisterlee, die onder meer Kinderbescherming in zijn portefeuille had. Hij vertelde me dat hij 'iets had gehoord dat hij nauwelijks kon geloven', namelijk dat ik plannen had een homofiele medewerker directeur te maken van een jongensinternaat.. 'Dat klopt', zei ik doodkalm. Kleisterlee deelde mee dat hij daar zeer ernstige bezwaren tegen had en maatregelen zou treffen wanneer ik met die plannen door zou gaan. Ik was beledigd en reageerde met te zeggen dat deze kwestie bij ons op democratische wijze was besproken en ik er niets voor voelde dreigementen in ontvangst te nemen. Ik daagde hem zelfs uit zijn mening publiekelijk bekend te maken, opdat men kennis kon nemen van zijn discriminerende opvattingen. Boos hing hij toen op.' Vraagtekens'Inmiddels waren bij mij toch wel wat vraagtekens gerezen rond de manier waarop Van Loon zich als potentieel directeur gedroeg. Echter, na dat telefoontje bleef ik me in de onderhandelingsfase positief opstellen. En zo is Van Loon er gekomen. Na twee jaar 'sneuvelde hij'. Hij was geen echte leider. Daar was zijn aanpak niet stevig genoeg voor. Zijn opvatting van democratisering was: net zo lang doorpraten tot iedereen het onderling eens was. Dat duurde voor zijn groep medewerkers dus veel te lang en dat werd als bewijs van zwakte opgevat. Ik kon dit verhaal destijds tegen niemand vertellen, maar nu vind ik het toch wel aardig 'open kaart' te spelen. En wat Kleisterlee betreft: hij heeft het me laten weten! Ik heb er last van gehad dat ik niet naar hem geluisterd had. Bij onderhandelingen over de begroting of in het kader van bezuinigingen stond zijn deur niet meer voor mij en BJ open. Na Van Loon nam Cor Struik de leiding over en hij ging er met 'brede borst' - letterlijk en figuurlijk -tegenaan. Hij mobiliseerde de buren en iedereen! Verder bracht hij weer overzichtelijke structuren op 'De Ravenhorst' aan.' Drie-maands kamp'De Ravenhorst' was net nieuw opgeleverd, toen ik in 1968 directeur werd van BJ. De locatie was prachtig: een schitterend bos met een mooie zandverstuiving. De gebouwen hadden platte daken, die altijd lekten. Daar was altijd gedonder mee, ik herinner me niet anders. Het complex had duidelijk het karakter van een kamp met slaapzalen en dergelijke, en zo was het ook opgezet: als drie-maands kamp, voor een categorie jongetjes die een tijd 'ver weg van het leven' in de bossen nieuwe levenslust en gezondheid moesten opdoen en veel moesten leren. In die tijd werden -voornamelijk-LOM-scholen in het Westen aangeschreven: dan en dan start weer een drie-maands kamp. Op een gegeven moment arriveerde dan een autobus, volgeladen met zo'n vijftig 'bleekneusjes', met als indicatie leer-en opvoedingsmoeilijkheden. Er werd in die drie maanden een heel boeiend programma afgedraaid: goed onderwijs en veel sport en spel. Een beetje 'padvinderachtig', de term Vorming Buiten Schoolverband was van toepassing. Eén van de eerste dingen die ik bij BJ trachtte te doen, was dat 'kampkarakter' te doen verdwijnen. Mijn mening was: voor dit doel hoef je geen internaat te hebben. De moeilijkheden van die jongetjes waren namelijk niet binnen drie maanden op te lossen. Ik wilde BJ -en dus ook 'De Ravenhorst' -omvormen tot een hulpverleningsinstituut met intramurale voorzieningen en veel meer geïndividualiseerd.' Beleidsvernieuwingen'johannes Hofman verzette zich met hand en tand tegen de beleidsvernieuwingen. Hij had allemaal redelijk gronden -zoals dat die drie-maands kampen bleken te voorzien in een behoefte, en dat was wáár -maar andere uitgangspunten dan de leiding van BJ. We zetten door en na veel gesprekken heeft hij uiteindelijk besloten tot positieve medewerking aan de nieuwe benadering. Ik wil hierbij nog eens nadrukkelijk zeggen dat ik johannes Hofman zeer waardeerde. Hij was (is) een integere man, voor wie niets belangrijker was dan het welzijn van 'zijn' kinderen. In diezelfde periode werd ik door CRM uitgenodigd voor een dienstreis naar Roemenië. Ik mocht iemand meenemen en voor mij stond meteen vast dat dit Hofman moest worden. Gelukkig hoefde hij geen moment na te denken. Tijdens die veertien dagen hebben we elkaar op meerdere punten leren waarderen.' Medezeggenschap'Toen 'De Ravenhorst' -met de nog altijd lekkende daken -op de nieuwe toer ging, werden er beduidend meer personeelsleden aangenomen, zowel in het onderwijs als in de groepsdienst. De periode 1970-1976 was de tijd van inspraak, van medezeggenschap. Die ontwikkeling werd gestimuleerd door BJ-Centraal. Er werden pogingen gedaan om in alle internaten inspraakorganen in het leven te roepen. Wat 'De Ravenhorst' betreft: de meeste personeelsleden waren uiteraard Tukkers- Aan de ene kant rustige, laconieke mensen, aan de andere kant gevoelig voor veranderingen in de maatschappij. Dus zij wilden zeker invloed op het beleid en maakten aanspraak op medezeggenschap. johannes Hofman, tolerant als hij was, had begrip voor BJ-Centraal en voor de mening van zijn personeel, maar hij wilde dit op eigen wijze doen. Hij had een soort 'onvermogen' om het spel te spelen. Zijn motto was altijd: 'Als iets goed is voor de kinderen, is het goed voor iedereen'. Hij werkte zelf dag en nacht en vond dat iedereen dat moest doen. 'We zijn hier voor de kinderen, niet voor roosters...', was zijn commentaar op een van de voortbrengselen van de medezeggenschapsgedachte.'  Brandjes'Maar je kent de Tukkers nog niet als je denkt dat die zich het democratiseringsspel lieten ontnemen. Dat zijn doorzetters! En zo ontstond er langzaam maar zeker een bepaalde wrijving tussen twee zéér op elkaar gestelde polen. Een gemeenschappelijke worsteling van partijen die de juiste toon niet konden vinden. Het gevolg: 'allerlei brandjes'. Ik ging in die periode zelf veel naar 'De Ravenhorst' om te trachten die brandjes te voorkomen. Voor mij was dit een moeilijke opgave, want in m'n hart had ik veel begrip voor Hofman's visie. Ik kon dat echter niet laten merken. Op een gegeven moment heb ik andere BJ-medewerkers,die de Tukker-mentaliteit kenden, ingezet om deze onenigheden op te helpen lossen.' Positief wrijven'Die pogingen zijn geslaagd. Toch droegen ook deze ontwikkelingen ertoe bij om Hofman voor te dragen voor overplaatsing naar Aekinga. Resumerend wil ik nog even zeggen: dat merkwaardige verschijnsel van mensen die elkaar zeer graag mogen en het toch niet eens kunnen worden -dat 'positieve wrijven' -dat heb ik nooit ergens anders zo open meegemaakt. Het was volgens mij typerend voor 'De Ravenhorst'.' 'Tenslotte nog één anekdotisch verhaal in verband met 'De Ravenhorst' en dan houd ik ermee op. Zo lang ik bij BJ werkte, is er gesproken over nieuwbouw van 'De Ravenhorst'. Het internaat voldeed qua bouwen indeling absoluut niet aan de eisen van die tijd. Mijn laatste bemoeienis met de eventuele nieuwbouw was een zeer uitgebreid gesprek met de directeur van de Rijksgebouwendienst in Arnhem. Hij had een rigoureus plan voor 'De Ravenhorst' ontwikkeld. Zó ingrijpend, dat het als een experiment te beschouwen viel. Op dezelfde locatie in de Losserse bossen, zou een groot gebouw verrijzen met allerlei up-to-date toepassingen, onder meer volledige klimaatbeheersing. Hij was er bezeten van. Het experimentele karakter hield bovendien in dat het project bij het Rijk voorrang zou krijgen.' Verzet'Dáár heb ik me toen met hand en tand tegen verzet. Mijn tegenstand hield de boel op en bovendien rezen er op den duur wat problemen met geld. Zie je het voor je? Kinderen in een geklimatiseerde doos. Midden in de bossen wonen en toch nooit een raam kunnen openen... Gelukkig is dat gebouw er nooit gekomen!'
'IK HEB NOOIT BEGREPEN WAAROM ZE ME WEGSTUURDEN...' ANONIEM Alle brieven en kaarten die zijn ouders hem schreven -iedere dag, drie maanden lang -heeft hij bewaard. Onlangs, met dit gesprek in het vooruitzicht, heeft hij die dikke stapel tevoorschijn gehaald en alles nog eens doorgelezen. Hij zegt: 'Ik heb nooit begrepen waarom. Waarom besloten m'n ouders me destijds drie maanden weg te sturen? Ik heb nu zelf een zoontje van zeven jaar. Hij is m'n evenbeeld, zegt men. Ook m'n ouders vinden dat. Maar ik kan me niet voorstellen dat wij, m'n vrouwen ik, hem weg zouden sturen... Hij hoort bij ons en wat er ook gebeurt, dat blijft zo.' Hij was elf jaar toen zijn ouders hem in 1968 voor een periode van drie maanden naar 'De Ravenhorst' stuurden. Die ervaring heeft hij (tot op heden) nooit kunnen verwerken. Hij wil er wel over praten, maar vanuit de anonimiteit. Zijn verblijf in Losser is een goed bewaard geheim, een periode in zijn leven die er niet had behoren te zijn. De mensen die ervan af weten zijn op de vingers van één hand te tellen en dat blijft zo wat hem betreft. Vorig jaar had hij opeens behoefte het 'kamp' terug te zien. Hij reed er met zijn vrouw heen, sprak met een medewerker van het centrum en zegde desgevraagd toe in de vorm van een interview mee te willen werken aan dit gedenkboek. Zijn naam wil hij liever niet genoemd hebben.
Zenuwachtig 'Ik was de hele ochtend zenuwachtig. Ik heb er behoorlijk tegenop gezien,' zegt hij als we rond het middaguur tegenover elkaar zitten in de kantine van het bedrijf waar hij als technische ontwerper werkzaam is. 'Mijn ouders hebben me uitgelegd dat ik destijds 'moeilijk opvoedbaar' was. Zij hadden -van wie weet ik niet -het advies gekregen om mij een poosje weg te sturen. Ze vonden het zelf ook allesbehalve een leuke situatie. Ik heb het ze dan ook nooit kwalijk genomen. Ik begreep het alleen niet en begrijp het nog niet.
Als ik terugdenk aan de omstandigheden die er destijds wellicht toe hebben bijgedragen dat een dergelijke situatie kon ontstaan, dan herinner ik me dat we enkele jaren tevoren -ik was toen zeven jaar oud -van de grote stad naar een klein dorpje zijn verhuisd. Ik vond het maar niks daar. Al snel kreeg ik een zusje. Dat was natuurlijk ook vreemd. Om de een of andere reden ging het op school en thuis opeens allemaal niet goed meer. Althans, dat vonden m'n ouders. Ze dachten dat het kamp de oplossing zou bieden.' Wat kun je je nog van 'De Ravenhorst' herinneren? 'Er waren allerlei rangen en standen. Alles was gepland en ze waren de hele dag met je bezig. Je verveelde je geen moment. Ik herinner me nog een groepsleider en twee groepsleidster, meneer Collignon, juffrouw Van Weert en juffrouw Bartels. Dat waren hele goeie mensen. Het is een gave om zo met kinderen om te gaan als zij deden.' Had je er vriendjes?
'Ik ben altijd erg gesloten geweest. Maar natuurlijk had ik er wel een paar kameraadjes. We gingen af en toe- onder leiding -een nachtwandeling maken. Dat was spannend. Verder herinner ik me dat we zondags eieren gingen halen bij boer Elferink. Die kreeg je van de kok nooit. Hij gebruikte ze wel, maar deed ze altijd overal doorheen. Ja, wat nog meer? De televisie-avonden met 'Daktari' en 'Ja zuster, nee zuster.' De snoepkraam, waar je al je zakgeld kon besteden en de toneelvoorstellingen die we opvoerden. Nogmaals, je was constant bezig. Maar ik was blij toen het erop zat. Toen ik weer terug kon gaan naar huis. Ik heb geen behoefte gehad relaties te onderhouden. Het was voor mij een afgesloten hoofdstuk.' Als je nu terugkijkt, heb je er dan misschien toch wat van 'overgehouden '? Die vraag is heel moeilijk te beantwoorden voor me. Ik vraag me eigenlijk constant af hoe m'n leven verlopen zou zijn als het niet gebeurd was. Als ik gewoon bij m'n ouders thuis gebleven was. Ik heb ze in die periode vreselijk gemist. Ik was een kind en ik wilde gewoon thuis zijn, in die beschermde omgeving. Dat het 'mis met me ging' heb ik zelf nooit als zodanig beseft.' Ik denk dan ook dat het niet nodig was dat ze me weg stuurden. Dat het niet goed Ivoor me is geweest. Alhoewel, één ding weet ik wel: m'n verblijf op 'De Ravenhorst' heeft er toe bijgedragen dat ik heel alert ben. En ook dat ik erg op m'n gevoel afga. Ik kwam na die drie maanden keurig netjes en 'bijgestuurd' -vond men -thuis. Natuurlijk moest ik ook weer naar school. Ik herinner me nog dat iedereen m'n vriendje en vriendinnetje wilde zijn. Ik was opeens heel populair. In die periode had ik natuurlijk in sommige opzichten achterstand in het onderwijs opgelopen. Dat kostte me een jaar.' Hoe is het verder met je gegaan? 'Mijn verdere schooltijd is één grote lijdensweg geweest. Ik ging naar de MAVO, maar moest eraf omdat ik te speels was en 'de beest uithing'. M'n ouders hebben me verschillende keren laten testen. De LTS lukte wel, maar op de MTS hield ik het, om verschillende redenen, maar anderhalf jaar vol. Toen had ik er opeens genoeg van. Heel spontaan kwam er een geweldige ommekeer bij me tot stand. Op een dag stapte ik doodkalm een fabriek binnen en vroeg om werk. Tot m'n verrassing kon ik meteen beginnen als constructiewerker. Na twee maanden vroeg ik om overplaatsing naar de tekenkamer, omdat ik veel interesse voor ontwerpen had gekregen. Sindsdien heb ik een behoorlijk aantal vakcursussen gevolgd om me in dat vak te bekwamen. Bij m'n huidige werkgever werk ik al ruim drie jaar en het bevalt me goed. Ik kan me uitstekend handhaven tussen de heren technici: de ingenieurs en de HTS-ers. Het is een baan waarbij ik vrij ben en dat is me veel waard.'
Onderuit gegaan'Acht jaar geleden ben ik getrouwd met een vrouw die me treffend weet te doorgronden en we hebben twee kinderen, twee zonen: een van zeven jaar en een van zeven maanden. Vaak sta ik stil bij wat ik heb. Ik heb -op die ene ervaring na -een hele zorgeloze, beschermde jeugd gehad. Ik ben, volgens maatschappelijke maatstaven, diverse keren onderuit gegaan. Als ik nu zie wat er dan toch na 34 jaar van me terecht is gekomen, dan ben ik best trots op mezelf. Met dit verleden had ik heel gemakkelijk kunnen afglijden. Nu sta ik midden in het leven. Ik moet het maken. Dat is toch prachtig!'
'MET SINTERKLAAS MOCHTEN ZE AL HET SERVIESGOED STUKSMIJTEN' DICK BULD
'Het Westen des lands heeft me nooit getrokken. Aan de andere kant van de IJssel hebben ze allemaal haast. Ik ben in het Oosten geboren en getogen en het bevalt me hier uitstekend,' zegt Dick Buld. Van '69 tot '79 was hij hoofd algemene dienst bij 'De Ravenhorst' en hij woont tot op de dag van vandaag nog in Losser. Dick Buld is thans hoofd personeelszaken bij de DCW -bedrijven in Enschede, divisie bouwen onderhoud. 'Op de een of andere manier kóm ik toch altijd weer in aanraking met 'De Ravenhorst'. Onlangs was dat het geval in mijn functie van lid van de gemeenteraad van Losser,' zegt hij en hij kijkt erbij alsof het hem plezier doet. In zijn tien 'Ravenhorst-jaren' heeft Dick Buld twee directeuren meegemaakt: Hofman en Van Loon. Aan Hofman heeft hij zo zijn eigen herinneringen. 'Hij reed in een 'lelijke eend', waarvan de raampjes tijdens het rijden voortdurend open en dicht klapten. Hij reed bovendien ontzettend slecht, keek niet naar links of rechts, maar alleen recht vooruit.' 'Hij had steevast een sigaar in zijn mond,' weet hij verder. Die nam hij er nooit uit. Het heeft vier maanden geduurd voor ik begreep wat hij zei. Ik knikte maar wat vaag. Aan zijn reactie merkte ik dan wel of ik er volkomen naast zat. In het algemeen: hij was een intelligente man, die zijn opvattingen graag getoetst wilde zien, maar wel als winnaar te voorschijn wilde komen.' Periode 1969-1979 'Ik heb een wisselende tijd op 'De Ravenhorst' meegemaakt, vertelt Dick Buld verder. 'De eerste jaren ging alles prima. Daarna brak een vervelende periode aan. In de 7O-er jaren heerste er zo'n sfeer van: 'alles moet kunnen, onderzoek maar raak, je loopt vanzelf wel tegen grenzen aan'. Het gevolg was dat met een grote nonchalance met dingen werd omgegaan. De groepsleiding dacht niet in economische termen. Die houding was een doorn in het oog van beheersmensen, zoals ik. Je kunt stellen dat de leiding van het internaat en het pedagogisch personeel op verschillende frequenties zaten. Mijn visie is dat mensen van hun fouten moeten leren. Pas als ze die aan den lijve ondervinden, kan er iets positiefs uit groeien. In dat opzicht botste ik hevig met de heersende cultuur. Een voorbeeld. Aan de vooravond van de Avondvierdaagse kwam een administratief medewerker tot de ontdekking dat de sportleraar vergeten was verfrissingen tijdens de wandeling bij de kok te regelen. Hij stelde voor maatregelen te treffen, maar ik zei: 'Nee, ik wil dat de sportleraar het zelf merkt, alleen dan leert hij ervan. Ik zorg heus wel dat ik in de buurt ben en dat iedereen op tijd te drinken krijgt. Die opstelling werd me reuze kwalijk genomen.'
Fietsen 'Ander voorbeeld. Het gebeurde regelmatig dat men op vrijdagmiddag om vier uur met een aantal kapotte fietsen bij de onderhoudsvakman aanklopte. Als deze dan tegensputterde en moeilijk keek, was het commentaar: 'Als je het niet doet kunnen wij in het weekend niet fietsen.' Nou, dan maar niet, is mijn mening. Moet je er maar eerder aan denken. Als iedereen altijd maar andermans fouten blijft verdoezelen, leert niemand er iets van en blijft het altijd een onregelmatige bende. Denk nu niet dat er grote eensgezindheid heerste. Integendeel, iedereen was bezig zijn eigen belangen te behartigen: de groepsleiding, de onderwijzers, de huishoudelijke dienst enzovoort. De polarisatie die was ontstaan, werd ónder Van Loon het meest manifest. Maar een wezenlijk dieptepunt in dit conflictueuze proces werd naar mijn mening bereikt toen alle volwassenen van 'De Ravenhorst' een week 'bij moesten praten' in een vormingscentrum, terwijl de kinderen naar huis gestuurd werden. Van Loon was de eerste die zei: willen jullie meepraten, dan krijgen jullie ook de daarbij behorende verantwoordelijkheid. Daar deinsde menigeen voor terug. Toen in 1979 een reorganisatie in de pen zat, waarbij de functie hoofd algemene dienst zou verdwijnen en het mezelf duidelijk werd dat ik tamelijk 'vastgelopen' was, pakte ik m'n biezen en verliet 'De Ravenhorst'. Maar zoals ik al zei, de eerste jaren heb ik er met veel plezier gewerkt en ik denk er ook nog vaak aan terug. Zo herinner ik me nog levendig de Sinterklaasavonden in de Grote Zaal. Dat waren dolle avonden, met allerlei activiteiten. Op die avond, één keer per jaar, was het de kinderen gegund zo veel mogelijk serviesgoed stuk te smijten. En daar werd grif gebruik van gemaakt. Dat serviesgoed hadden we tevoren met de auto bij de Sphinx fabrieken in Maastricht gehaald. Het was afgekeurd porcelein.'
Zwiebertje Tot slot vertelt Buld een anekdote die geschreven lijkt voor een aflevering van 'Swiebertje'. 'Op een middag hadden cultureel leidster Riekie Bartels en ik tegelijk vrij. We besloten te gaan vissen, vlakbij het landgoed 'Huize Singgrave', waar het riviertje de Dinkel via een duiker onder het kanaal doorstroomt. Omdat Riekie geen visvergunning had ging zij aan de Dinkel zitten en ik installeerde me aan het kanaal. Na een tijdje ging ik eens kijken hoe ze het maakte. Riekie lag heerlijk in het zonnetje te slapen en had haar hengel in de steek gelaten. Ik besloot haar goede voorbeeld te volgen en ging naast haar op de grond liggen.. Na enige tijd naderden voetstappen en werd ik ruw met een schoen gepord. Het was een boze (onbezoldigde) veldwachter die waarschuwde: 'U mag hier niet vissen.' Ik antwoordde: 'Maar dan doe ik ook niet, deze hengel is van de freule hier. De man keek naar Riekie en was niet onder de indruk. Hij pakte de hengel en gaf er een ruk aan. Het snoer schoot omhoog en verstrengelde zich in een boom. 'Dat zal de freule niet leuk vinden,' merkte ik zuinig op, terwijl ik met één oog naar Riekie keek, die zich slapende hield. Op dat moment naderde een agent van de Rijkspolitie. De veldwachter snelde op hem af om zijn verhaal te doen. Ik haastte me om het mijne te doen en legde grote nadruk op het ongenoegen dat dit alles bij de freule zou opwekken, wanneer zij ontwaakt zou zijn. De Rijkspolitie-agent gebood de veldwachter het snoer uit de boom te halen. Hij hielp hem er zelfs nog een handje bij. Toen vertrokken ze. Riekie en ik hebben nog jaren genoten om het succes van onze act.'
'HUIDIGE ORGANISATIE IS IETS OM TROTS OP TE ZIJN' BEN EVEN
Hoofd civiele dienst Ben Even is met twintig dienstjaren, één van de oudste medewerkers van het huidige BJ- Twente. Hij kwam in 1970 als onderhoudsman in dienst bij 'De Ravenhorst'. Ben Even kan terugzien op samenwerking met drie directeuren, die zijn huidige 'baas', Phlip Visser, voorafgingen: Hofman, Van Loon en Struik. De ontwikkelingen in de maatschappij door de jaren heen, met de daaraan gekoppelde veranderingen voor het terrein waarop hij werkzaam is: de jeugdhulpverlening, trokken aan zijn oplettend oog voorbij zonder dat hij daarvan in verwarring raakte. Als nuchtere Tukker accepteerde hij de dingen die zich onvermijdelijk over zijn hoofd (en dat van vele anderen) uitstortten. Anno 1991 zegt routinier Ben Even: 'Ik kan terugzien op goede, maar ook op slechte tijden. Een slechte organisatie heeft uiteraard ook een negatieve weerslag op de kinderen die van de jeugdhulpverlening gebruikmaken. Wat dat betreft kunnen we nu, met de huidige structuur van BJ- Twente, met vertrouwen de toekomst tegemoet treden.' Andere wereldBen Even woont al 25 jaar in Overdinkel, een kerkdorpje met zo'n 4.000 inwoners, op een steenworp afstand van Losser. Hij was een van de weinige medewerkers van 'De Ravenhorst' die niet intern woonde. De eerste zeven jaar had hij het in het jongenskamp, waar toen directeur Johannes Hofman de scepter zwaaide, reuze naar z'n zin. 'Het was een prettige tijd. Hofman gaf je de ruimte. Je kon je volop ontplooien. Maar in de loop der jaren ontstond een heel andere sfeer. Het leek wel alsof je in een totaal andere wereld belandde. Het was de tijd van veeloverleg, waarvan de resultaten later weer teruggedraaid werden. Hofman, die zoals ik al zei persoonlijk een prettige man was, onderging zelf ook een verandering door deze ontwikkelingen: Hij wist alles wel zo te regelen dat z'n eigen uitgangspunten overeind bleven. 'Op een gegeven moment vertrok Hofman naar' Aekinga' in Appelscha en werd opgevolgd door Van Loon. Ik- en ik niet alleen -had al meteen zo m'n twijfels over deze nieuwe man. Hij kwam bepaald niet krachtig over. Hij had niet voldoende 'bagage'. In gesprekken maakte hij een wat 'kinderlijke' indruk. Een voorbeeld: als hij een beetje lastige vergadering achter de rug had, zei hij: 'Nou van mij hoeft het niet meer...' Ik vind dat niet erg sterk voor een directeur. Natuurlijk is er bij het aantreden van een nieuwe man altijd sprake van een gewenningsperiode van beide kanten. Maar aan Van Loon waren we na een half jaar nog niet gewend. Hij creëerde veel te veeloverleg en draaide zelf met alle winden mee. De sfeer onderling werd met de dagslechter. Bepaalde medewerkers hakten toen de knoop door en zeiden: tot hier en niet verder.' Indrukwekkende man 'Op een dag arriveerde algemeen directeur Klaas Groen uit Lochem en vertelde dat Cor Struik als opvolger van Van Loon benoemd was. Wie het er niet mee eens was kon zijn biezen pakken. Ja, zo ging dat toen. Maar het bleek achteraf een gelukkige keuze te zijn. Cor Struik was niet alleen een indrukwekkende man, een 'tank' om te zien, maar ook een goed leider. Hij wist wat hij wilde. Ook dat botste natuurlijk wel eens. Struik ging dan het gevecht graag aan. Ook ik had wel eens een knallende ruzie met hem, maar dat was zo weer over. In wezen was hij een aardige man. Het speet me zeer toen hij wegging. Onder zijn regime ben ik hoofd civiele dienst geworden. Ter gelegenheid van zijn afscheid hebben de mannen van de civiele dienst met elkaar een dekenkist met houtsnijwerk gemaakt, daar was hij erg blij mee.'
Gebak-'probleem'Al vertellend schieten hem nog een aardige anekdote te binnen, die illustreert op welke niet mis te verstane wijze directeur Struik problemen oploste. 'Het was de gewoonte dat iemand die jarig was alle medewerkers van 'De Ravenhorst' trakteerde. Op een dag verscheen een jarige groepsleider met zes gebakjes- Die waren dus alleen voor zijn team bestemd. Stiekem haalden wij -een maat van de civiele dienst en ik --die gebakjes weg en verstopten ze. Dat gaf me een heibel. Struik was er die ochtend niet, maar zijn adjunct bemoeide zich ermee en eiste het gebak op. Ze hadden argwaan in onze richting, maar konden niets bewijzen. Wij deden net alsof we van de prins geen kwaad wisten. 's Middags arriveerde Cor Struik. Hij werd uiteraard onmiddellijk op de hoogte gesteld door de adjunct en de groepsleider. 'Hier met dat gebak', commandeerde hij. Wij kwamen met de zes gebakjes tevoorschijn. Met een gezicht van 'wat een flauwekul' propte hij pal voor onze ogen een paar naar binnen, draaide zich vervolgens om en liep weg. Niemand zei iets en opgelost was 'het probleem'. Zo was Struik.' Open dagen: succes Met de jongeren die in de loop van die twintig jaar 'De Ravenhorst' bezochten, had Ben vooral in de eerste periode veel contact. Regelmatig hielpen ze mee in de werkplaats en Ben draaide op zijn beurt mee in verschillende hobbyclubs. De hoofdmoot van het werk van Ben en zijn collega's was de zorg voor een goede 'infrastructuur' op het internaat, het organiseren van activiteiten -zoals de Olympische Spelen die in het klein werden nagespeeld -kermis voor de bewoners en, de Laatste jaren, het organiseren van open dagen, die enkele duizenden bezoekers uit de regio trokken. Ben: 'Die dagen zijn een traditie geworden, die tot vorig jaar is voortgezet. De open dag werd altijd in de maand mei georganiseerd en we hebben tot nog toe zonder uitzondering schitterend weer gehad. Het is een traditie die de moeite waard is voortgezet te worden. Waar is het anders een traditie voor?'
Tot slot zegt hij: 'Van een drie-maands kamp dat huisvesting bood aan een categorie zeer jonge kinderen, is de BJ- Twente-organisatie door de jaren heen een volwassen centrum voor jeugdhulpverlening geworden, met een zeer gedifferentieerd aanbod en een up to date huisvesting. Dat is toch iets waar we trots op kunnen zijn.'
'IK MOEST EERST VAN HOFMAN HOREN DAT IK HET KON ...' BERT BOERRIGTER
'Zie je tussen de bomen door dat gebouwtje, daar bovenop de heuvel? Dat is de school. Ga er maar snel naar toe. Over vijf minuten zijn de kinderen er.' Zo werd Bert Boerrigter uit Oldenzaal ruim 21 jaar geleden, in januari 1970, begroet toen hij 's morgens om half negen als jonge onderwijzer zijn entree maakte bij 'De Ravenhorst' in Losser. Daar stond hij. Geen inwerkperiode, niets. Gewoon, bang, aan de slag. Ben Boerrigter kwam kersvers uit militaire dienst, waar hij als verpleger had gewerkt. In zijn dienstijd was zijn aandacht getrokken door een advertentie van 'De Ravenhorst', waarin een onderwijzer werd gevraagd. Hij had gesolliciteerd en was door directeur Johannes Hofman aangenomen. Een meevaller was daarbij dat hij eerder uit dienst mocht dan normaal, omdat hij een baan in het bijzonder onderwijs aanvaardde. Bert Boerrigter wist wel een en ander van het speciaal onderwijs af omdat hij in zijn stageperiode, tijdens zijn opleiding voor onderwijzer, daar een tijdlang mee te maken had gekregen. Desalniettemin waren de eerste maanden op 'De Ravenhorst' een koude douche. In het moderne, goedgeoutilleerde Educatief Centrum van BJ- Twente in Enschede, dat op 11 februari 1991 (officieus) in gebruik werd genomen, vertelt hij: 'Ik was eigenlijk de eerste 'gewone' onderwijzer op de 'Ravenhorst', in die zin dat ik geen dienstweigeraar was. Al m'n collega's en voorgangers waren dat wel. Ik was tevens de eerste onderwijzer die extern mocht blijven wonen.' Buikpijn Bert Boerrigrer kreeg een speel-leerklasje toegewezen, waarin de jongste groep kinderen was ondergebracht, de 6-, 7- en 8-jarigen. 'In het begin vond ik het vreselijk moeilijk om hen onderwijs te geven. De klas was rommelig. De jongens luisterden slecht en ik kon absoluut geen orde houden. Ik ging er iedere dag met buikpijn naar toe. M'n collega's hadden gezegd dat er eerst 'een puinhoop van moest komen, voor ik m'n draai gevonden zou hebben'. Met die gedachte ging ik er iedere dag heen: vandaag zou het een puinhoop worden. Na twee maanden was ik geheel in paniek. Ik riep een enorme spanning in mijzelf op, ik kwam er niet meer uit. Toen ben ik naar Hofman gestapt met de mededeling: 'Ik kan het niet'. Hofman stelde me gerust. Hij zei ervan overtuigd te zijn dat ik wel degelijk geschikt was voor dit werk en adviseerde me geen overhaaste beslissingen te nemen, maar er nog eens rustig in het weekeinde over na te denken. Het feit dat hij op een dergelijke manier zijn vertrouwen in mij uitsprak, heeft me er bovenop geholpen. Ik moest eerst van een ander horen dat ik het kon en toen was het goed. Stel je voor, zo onzeker was ik geworden door die 'puinhooptheorieën van m'n collega's. Ik heb in die tijd heel veel steun van Hofman gehad en daar ben ik hem nog altijd dankbaar voor.'
Brand Met het houten schoolgebouwtje op de heuvel, dat Bert Boerrigrer zich nog zo goed herinnert vanwege zijn eerste schooldag bij 'De Ravenhorst', liep het overigens fataal af. In- als ik me goed herinner -1974, op de laatste dag voor de Kerstvakantie, brandde het tot de grond toe af. 'M'n vriend nam thuis het telefoontje aan dat de boel in lichterlaaie stond. Ik was nog onderweg. Hij dacht dat het een grapje was en zei zoiets van; 'Leuke coverstory, jongens...' Maar het was ernst. Een gaskachel was defect geraakt. Toen ik terugkwam op 'De Ravenhorst' trof ik alleen nog verkoolde resten aan. Al m'n materiaal was vernietigd. Ik had erg veel zelf gemaakt: stencils, spelletjes, rekenmateriaal enzovoort. Ik heb m'n Kerstvakantie benut om bij scholen in de buurt van alles en nog wat te lenen. De lessen moesten een paar maanden in de eetzaal gegeven worden, maar de kinderen hebben geen uur onderwijs hoeven missen tengevolge van de brand.'
'Mijn lesgroep was tegelijk een leefgroep: groep 'Rood'. Ik had in die tijd een goed contact de andere teamleden. Niet alleen op het werk, maar ook in de privé-sfeer gingen we vrij veel met elkaar om. Een paar jaar geleden heb ik nog een heleboel medewerkers uit die begintijd teruggezien op een reünie die we georganiseerd hebben ter gelegenheid van het afscheid van onze naaister Marietje Meyerink, die er 25 BJ-jaren op had zitten. We hebben destijds 'In de hoofdrol" van Mies Bouman nagespeeld. Ik was 'Mies". De oud-medewerkers waren van heinde en ver gekomen. Het was een prachtig weerzien.'
Terug naar 'toen: Weet je nog mooie verhalen uit die tijd? Bert Boerrigter: 'We hadden dolle pret met elkaar. 's Avonds gingen we vaak 'spoken'. Elkaar bang maken dus. Ik herinner me nog dat Fons van Hooren en ik, groepsleidster Ans Oudenalder een keer de stuipen op het lijf gejaagd hebben. Ze had met ons zitten praten en vertrok naar de keuken om te strijken. Wij kropen heel snel door het raam naar buiten, liepen om en gingen daar weer door een raam naar binnen, zodat we eerder in de keuken waren als Ans. Ze kwam binnen in die stikdonkere keuken en toen ze haar hand uitstak om het licht aan te doen, voelde ze een kletsnatte, ijskoude hand de hare grijpen. Ik heb nog nooit iemand zo horen krijsen... Een ander grapje werd ons ingegeven door het toeval. Op een nacht was een kip door een raam iemands slaapkamer binnengekomen en had de boel op stelten gezet. Dat bracht ons op het idee een geit bij een van de collega's naar binnen te duwen en de deur van buitenaf op slot te doen, zodat hij de hele nacht met die mekkerende geit zat opgescheept.'
Verdwaald 'De survivaltochten waren heel leuk. Collega Hans Perik trok die zaak met vele goede initiatieven. Op een keer ben ik met een groep jongens hopeloos verdwaald. Dat ging zo. Hans en ik waren met de kinderen naar Oldenzaal gegaan. De opdracht luidde: rond de Paasberg trekken en elkaar weer ontmoeten. Op het station hadden we ons gesplitst. Hans vertrok met de ene helft van de groep naar links en ik met de andere naar rechts. Maar, je begrijpt het al, we liepen elkaar mis. Ik had nog weinig ervaring met survivals in die tijd. Onze groep bleef nog een tijdje ronddwalen en zoeken, maar het werd steeds donkerder en ten einde raad besloten een kamp op te slaan aan de Dinkel om te overnachten. We hadden net alles punctueel voor elkaar, toen een jachtopziener een wreed einde aan ons avontuur maakte. We moesten binnen tien minuten wegwezen, zei hij boos. Tenslotte zijn we op een boerderij beland, waar we van de vriendelijke boeren in de stal tussen de koeiemest mochten overnachten. De volgende ochtend bracht de boerin ons een vorstelijk ontbijt. Prachtig als je bedenkt dat de bedoeling van een survivaltocht juist is je elke luxe te ontzeggen. We hebben haar later bedankt met een bos bloemen.'
Controle Controle Bert Boerrigter maakte achtereenvolgens als directeur mee: Johannes Hofman, Wouter van Loon, Cor Struik en (tot op de dag van vandaag) Plilip Visser. Het verschil in het besturen van de organisatie tussen Hofman en Van Loon legt hij in een paar woorden aldus uit: 'Van Loon legde veel verantwoordelijkheid bij de mensen zelf. Hij vond dat je maar moest doen waarvoor je aangenomen was. Bij Hofman was meer sprake van gecontroleerde verantwoordelijkheid. Hij gaf mensen wel een zekere ruimte, maar hield in wezen de touwtjes zelf toch behoorlijk strak in handen. Ik vond beiden prima en heb prettig samengewerkt.
Struik, die Van Loon opvolgde, kwam in een moeilijke periode binnen, maar hij bleek inderdaad de man die het internaat nodig had. Hij vatte de problemen bij de horens en loste ze op. Ik het begin kon ik goed met hem opschieten. Toen kregen we een hooglopend conflict. In het kort komt het erop neer dat ik recht had op snipperdagen en hij weigerde me die te geven. Ik zocht het 'hogerop', in Rijswijk bij CRM en kreeg gelijk. We hebben er nooit meer over gepraat, maar het is altijd tussen ons blijven staan.'
Resumerend zegt Bert Boerrigter: 'M'n speel-leerklasje van toen is natuurlijk allang achterhaald. Op een gegeven moment ben ik doorgeschoven naar een groep oudere jongens. Daar had ik nogal wat bedenkingen tegen. Maar ten onrechte. Het bleek schitterend om met hen te werken. Ik ben blij dat ze me gepushed hebben. BJ-Twente richt zich nu op meisjes en jongens van 12 tot en met 18 jaar. Een geheel andere situatie dus dan vroeger. Niet alleen de uitgangspunten zijn anders, de accommodatie en de mogelijkheden zijn meegegaan met de tijd. De werksituatie is een geheel andere dan in de begintijd. Een compleet nieuwe baan?'
'HET MOOISTE MOMENT WAS ALS ZO'N JONGEN MET EEN BOSJE BLOEMEN VOOR JE STOND..' COR STRUIK
In augustus 1979 kwam hij bij 'De Ravenhorst' binnen als de 'sterke man' die orde op zaken moest stellen: drs.C.L.A. (Cor) Struik. Hij kwam van de School Begeleidings Dienst Midden- Twente (SBD) te Hengelo. Hij bleef 6 1/2 jaar bij BJ en vertrok toen naar het Consultatiebureau voor Alcohol en Drugs Twente (CAD) te Almelo. De vraag 'waarom?' beantwoordt hij met: 'Ik ben in wezen een mobiel mens en streefde er dan ook vroeger naar om de vijf jaar van baan te veranderen. Maar ik kan rustig zeggen dat ik het nog steeds jammer vind dat ik niet meer bij 'De Ravenhorst' -nu BJ- Twente -aanwezig ben. Ik mis nog altijd het hectische werken met de kinderen, het gedram, het 'ge-eikel', maar voor al ook het plezier dat ik eraan beleefde. In mijn baan bij het CAD, waar ik ook met veel voldoening werk, ben ik veel meer met beleid en organisatie bezig. Maar helaas., een mens kan maar één ding tegelijk goed doen.' Wat trof u aan toen u in 1979 bij De Ravenhorst' arriveerde? Struik: 'Onder meer veel langdurige zieken in de hulpverlening, veel wantrouwen en -naar later bleek -veel verdriet. Verder trof ik in het functioneren van de leefgroepen een situatie aan waarmee ik het volstrekt oneens was. Men hanteerde de zogenaamde 'unitgedachte', die uitging van volledige onderlinge uitwisselbaarheid tussen de teamleden: drie groepsleiders, een onderwijzer en een halve maatschappelijk werker. Alhoewel ik absoluut niet iemand ben die een rigide functiescheiding prefereert, meen ik toch dat iedereen verantwoordelijk is voor en ook aangesproken moet kunnen worden op zijn eigen kennis en ervaring. Onderlinge uitwisselbaarheid is prachtig, maar alleen als de nood aan de man komt. De 'unitgedachte', die mijns inziens diffuus en onwerkbaar was, stond nergens beschreven. Ik heb me niet in de historie verdiept om er achter te komen hoe, waar en wanneer het mis ging. De waarheid ligt toch altijd ergens in het grijze midden. Het toeval wilde dat ik na ± drie maanden spit kreeg en twee weken plat moest. Ik zat namelijk op boksles en had de vervelende, maar consequente gewoonte om te laat te komen. Zodoende miste ik de warming up en dat moest ik bezuren. In die veertien dagen gedwongen rust had ik volop tijd om na te denken en toen ik weer op 'De Ravenhorst terugkwam, had ik een kant-en-klare werkformule voor de gehele werkorganisatie; Ze mochten er wel vragen over stellen, maar de uitgangspunten stonden niet ter discussie. Zo wilde ik het hebben.' Overval 'Achteraf denk ik nog wel eens: het was een soort 'overval'. Maar ik moest iets doen. Er waren problemen die voor ieders bestwil zo snel mogelijk uit de wereld geholpen moesten worden.' Waar kwam die nieuwe formule op neer? Struik: 'In wezen op het creëren van een lijnverantwoordelijkheid, zowel in verticale als in horizontale zin. De groepsleiding ging functioneren onder leiding van een coördinator en als zodanig had het team een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Voor de vier teams -Rood, Geel, Groen en Blauw -werden twee coördinatoren aangesteld: Hans Perik en Peter Tol. De individuele leden van de groepsleiding bleven daarbij ieder apart verantwoordelijk voor hun eigen werk. Uitwisselbaarheid werd slechts in hoge nood toegepast. De nieuwe werkwijze heeft voortreffelijk gewerkt. Er kwam duidelijkheid. Je wist weer wie je aan kon spreken. Verder stelde ik een structureel ochtendoverleg in, met de beide coördinatoren, het hoofd huishouding en de algemeen -comptabele -administrateur. Dit met de bedoeling elkaar volledig op de hoogte te stellen van de dagelijkse gang van zaken op ieders terrein. Teveel dingen gaan in de praktijk mis wanneer de cruciale personen in een organisatie niet van elkaar weten wat er speelt. Ook die constructie heeft goed gewerkt.'
Niet alleen pratenWelke ontwikkelingen zijn er in 'uw periode' te melden op het terrein van de hulpverlening? 'Binnen het zojuist geschetste organisatorische kader kwamen ontwikkelingen op gang waarbij ik als pedagogische leidraad voor mezelf had: een goed contact met de kinderen, maar het moest niet bij praten alleen blijven. Er moesten ook dingen gedaan worden. Zo heb ik er bijvoorbeeld naar gestreefd het cultureel werk en de vrije tijdsbesteding een belangrijke plaats binnen de totale opvang op 'De Ravenhorst' te geven. Verder kwamen in deze periode de eerste meisjes op 'De Ravenhorst'. Ook zagen we het belang in van contacten met de buitenwereld en organiseerden open dagen waarbij we de ouders, de 'naobers' en de lokale middenstand betrokken. Die dagen waren een enorm succes.' Aan de 'naobers' -Ter Beek, Ter Linde en Elferink- heb ik heel goede herinneringen. In de vakanties was ik vaak 'kampwacht'. De Elferinks, Hennik en Annie, kwamen dan dikwijls buurten, een borreltje drinken en de boer en ik legden dan een biljart je.' Hoe ziet u, vanuit uw ervaring, aan tegen het BJ-Twente anno 1991? Recent verhuisd naar 'de grote stad: Een organisatie die opereert vanuit een gedifferentieerd en educatie- gericht hulpaanbod. Cor Struik: 'In mijn tijd was ik geen voorstander van de re-allocatie gedachte. Die kwam toen ook al wel eens ter sprake. Op een gegeven moment zijn over nieuwbouw in Enschede beleidsmatige gesprekken met het hoofdkantoor in Lochem gevoerd. Verder zijn er destijds besprekingen geweest over samenwerking, eventueel fusie met BJ-internaat 'Ampsen" te Lochem. De naam hadden we al. 'Stamplo': Stichting Ampsen-Losser. Als tweede fase had ik een nauwe samenwerking met Antonio Radboud in Denekamp in gedachten, waarbij Antonio Radboud gedecentraliseerd in Enschede verder zou kunnen gaan.' Betrokkenheid 'Zoals gezegd was ik geen voorstander van vestiging in de grote stad. Juist de geografische nabijheid, die een grote betrokkenheid bij elkaar waarborgde, was voor mij zeer waardevol. Uitgangspunt bij BJ was altijd: wij zijn alleen maar preventief bezig, om erger te voorkomen. Dat 'bij elkaar horen' was een zeer wezenlijk element van die preventiegedachte. De jongeren vormden in Losser een onderdeel van een hechte, bestaande eenheid. Die eenheid is hier in Enschede ook nog wel, maar het is een kleinschaliger eenheid, namelijk alleen die van de leefgroep. Maar ik denk dat je geen appels en peren met elkaar kunt vergelijken. Er zit thans een andere groep jongeren op het internaat dan destijds. Vroeger kwamen de kinderen vooral uit de Randstad, thans richt het centrum zich met name op een regionale doelgroep. Ik zou er nu alle vrede mee hebben om directeur te zijn van een centrum in de stad. Overigens heb ik als voorzitter van 'Columbus', waarmee BJ- Twente een samenwerkingsverband heeft aangegaan, nog altijd veel contact met het centrum. Over de educatiegerichte hulpverlening van BJ wil ik nog het volgende opmerken. Ook wij pasten in de zeventiger jaren al de doelstelling toe de kinderen zo veel mogelijk terug te laten keren naar de reguliere situatie -gezin, school -en, als het even kon, toeleiding naar werk. Het oriënteren op werk in die tijd is een van de grote verdiensten van Hans Perik geweest. Parallel daaraan liepen de ontwikkelingen van het vak Algemeen Praktische Vorming, afgekort met APV. Daarbij moet men echter wel bedenken dat wij met een veel jeugdiger categorie jongeren te maken hadden dan BJ-Twente thans. Toeleiding naar werk komt natuurlijk vooral ter sprake bij wat 'oudere' jongeren. Die basis van toen is nu uitgewerkt in een concrete educatievisie, die gestalte heeft gekregen in het fraaie Educatief Centrum van BJ-Twente.'
Filosofisch 'Ik denk dat en educatiegerichte hulpverlening een goede zaak is en dat BJ daarmee op de goede weg is. Misschien klinkt het wat filosofisch als ik zeg dat het er eigenlijk niet eens zo veel toe doet of de keuze die men maakt inhoudelijk juist is. Ik geloof namelijk niet dat er maar één antwoord voor een bepaalde problematiek is. Veel belangrijker is dat er een keus gemaakt wordt en dat die consequent wordt doorgevoerd. Kijkt u terug op een geslaagde' periode als directeur? 'Ik heb wel eens zitten 'mijmeren' over de functie van een directeur. Voor iedere directeur geldt dat hij veel invloed heeft op de lange termijn en slechts beperkt op de korte termijn. Ik geloof niet in 'revólutie'. Dingen die in een snel tempo veranderen, hebben de neiging ook weer tot op zekere hoogte terug te keren naar de oorspronkelijke staat. Als antwoord op de vraag: het ging niet om mij. Ik ben niet gemakkelijk over het hoofd te zien, dat is een feit, maar ik was in dat hulpverleningsproces niet belangrijk. Het ging om de jongeren. Als persoon moet je investeren als je in dit werk met kinderen bezig bent. Je hebt de moeilijke, maar geweldige taak hen te laten merken dat je geloof in hen hebt. Ook al baal je nog zo erg van de manier waarop ze zich soms gedragen. Dat geloof moet je overbrengen zowel op het kind als op de medewerkers. Pas dan kan je resultaten verwachten. Het mooiste moment was dan ook als zo'n jongen, meestal met z'n moeder, met een bosje bloemen voor je stond, om even te melden dat hij geslaagd was voor zijn LTS-examen. Dat was het bewijs dat hij zichzelf 'overwonnen' had en wij onze taak goed hadden gedaan.'
'BJ-TWENTE BEREID EN IN STAAT Z'N PARTIJTJE MEE TE BLAZEN' ALGEMEEN BJ-DIRECTEUR HAN MULLER
Ter afsluiting van dit gedenkboek een interview met Han Muller. Sinds 1974 is Han Muller bij 'De Ravenhorst' (BJ- Twente) betrokken. De eerste tien jaar 'op afstand' vanuit een managementfunctie op het hoofdkantoor en vanaf 1984 'van zeer nabij' als algemeen directeur van de landelijk BJ-organisatie, het overkoepelende orgaan van veertien -in het land verspreide -centra, waarvan BJ- Twente er één is. Omdat hij tevoren inzicht had gekregen in alle bijdragen voor dit boek, kunnen we Han Muller rustig de inleidende vraag stellen: 'Zijn er conclusies te trekken uit de verhalen in dit boek en zo ja: welke?' Muller: 'Wat meteen opvalt is dat het verhaal van 'De Zandbergen' er één is van bergen en dalen. Dat geldt zowel voor de hele ontwikkeling rond de nieuwbouwals op personeelsgebied. Om met het laatste te beginnen: we kunnen uit de informatie die de geïnterviewden geven, maar ook tussen de regels door, lezen hoe in diverse perioden aan een instelling op het terrein van de jeugdhulpverlening, vanuit verschillende opvattingen, leiding is gegeven. We zien hoe belangrijk de rol van een directeur kan zijn en hoe kwetsbaar tegelijkertijd die functie is.' Respect'Om met Johannes Hofman te beginnen: hij heeft op een hele karakteristieke -ik mag misschien wel zeggen 'eigenzinnige' -manier leiding gegeven aan 'De Ravenhorst'. Hij dwong daarmee veel respect af. Vervolgens zagen we een nieuwe directeur komen, Wouter van Loon. die aan de gang ging met idealen en trachtte in een snel tempo de verhoudingen te democratiseren binnen een van oorsprong hiërarchisch georganiseerde instelling. Een brug te ver! Zijn opvolger Cor Struik gedroeg zich als directeur op een ongedwongen manier, bijna als "een avonturier'. Hij vond het terecht nodig om weer een duidelijke structuur te scheppen. Het paste bij hem om krachtig leiding te geven en met die houding kwam hij tegemoet aan wat zijn personeelsleden uiteindelijk -alhoewel velen het misschien niet zo uitspraken -van een directeur verlangden. En daarmee kwam de rust en de energie voor nieuwe ontwikkelingen weer terug op 'De Ravenhorst'. Op die basis is de huidige directeur, Phlip Visser, doorgegaan. Zo veranderde een organisatie waarin veel werd geïmproviseerd in een organisatie waarin vernieuwing en verzakelijking zegevierden.' Happy endMuller vervolgt: 'Vervolgens de bergen en dalen inzake de nieuwbouw. Beslissingen op dat terrein werden net zo gemakkelijk genomen als ingetrokken. Het lijkt op een gegeven moment een eindeloze geschiedenis met het karakter van een treurverhaal te worden, maar dan opeens komt het happy end met de nieuwbouw te Enschede. Tal van ontwikkelingen hebben een rol gespeeld bij de uiteindelijke beslissing om de jeugdhulpverlening van BJ in Twente naar de stad te verhuizen. Echter, zonder de privatisering van BJ, die per 1 januari 1989 gestalte kreeg, was de realisatie niet gelukt. De drie hoofdlijnen die het -aan de privatisering gekoppelde -Ondernemingsplan kenmerken, zijn namelijk: ombouw, schaalvergroting en reallocatie. Alle drie doelstellingen zijn van toepassing op de verhuizing van BJ- Twente naar Enschede. Sterker nog: BJ- Twente geldt als het prototype voor de veranderingen die zich thans volop bij het Bijzonder Jeugdwerk voltrekken. Het gezegde 'geen woorden, maar daden' is daarom op dit centrum wel zeer nadrukkelijk van toepassing.' Cruciale datum 'Dat de beslissing om naar de stad te gaan -om precies te zijn op 17 augustus 1987, ik zal die cruciale datum nóóit meer vergeten -is genomen door een directeur die nauwelijks een jaar in dienst was, Phlip Visser, maakt dat hij bijzonder sterk naar voren komt. Een man die zijn uitgangspunten ~ verzakelijking, duidelijkheid in verantwoordelijkheden en vernieuwing -heel consequent ten uitvoer brengt. Want die beslissing was op dat moment bijzonder riskant in meer dan een opzicht. Het was een zeer 'smal pad'. Er was namelijk nog weinig acceptátie bij de medewerkers voor verplaatsing van de locatie. Voor velen gold dat zij na vele jaren een vertrouwde omgeving moesten verlaten. Maar bovendien: er moest ineens een heel andere 'tent' komen. Ook de grotere differentiatie in het hulpaanbod -meer educatiegericht -en de verschillende vormen van samenwerking, vereisten een andere, flexibeler opstelling van het personeel. Ik moet eerlijk bekennen dat ik in de jaren '85 en '86 een beetje 'contre coeur' meewerkte aan plannen om nieuwbouw in Losser te realiseren en ik ben dan ook blij dat Phlip Visser in 1987, nadat hij alles nog eens op een rijtje had gezet, met dit plan naar voren kwam. Er waren slechts twee intensieve besprekingen nodig om hem het groene licht te geven.' Provivie en gemeente'Gelet op de gecompliceerde voorgeschiedenis, is de nieuwbouw vervolgens in een snel tempo gerealiseerd. De medewerking van de provincie en de gemeente zijn daarbij van grote betekenis geweest. Wat de gemeente betreft: van begin af aan bleken burgemeester drs. K. Wieringa en zijn wethouders bereid support te geven aan het initiatief van BJ- Twente. Die bereidwilligheid is tot op de dag van vandaag aanwezig en de goede samenwerking is tijdens de rit alleen nog maar toegenomen. De provincie heeft de ommezwaai van nieuwbouw op het terrein van 'De Ravenhorst' in Losser naar nieuwbouw in Enschede, ook erkend als een beweging in de juiste richting. Ik waardeer vooral de constructieve opstelling die gedeputeerde J .Dijkstra ten opzichte van ons heeft ingenomen. Het is bekend dat hij de jeugdhulpverlening een zeer warm hart toedraagt. We hebben zowel het lokale als het provinciale bestuur duidelijk weten te maken dat BJ- Twente zich presenteert als een organisatie die gaarne bereid is met andere organisaties samen te werken en dit principe dan ook al in de praktijk brengt. Door de handen ineen te slaan kunnen wij beter voorbereid zijn op de problematiek die de komst naar de grote stad met zich mee brengt.' Een tweede vraag, tevens slotvraag: Hoe ziet u de toekomst? 'Om op Phlip Visser terug te komen, een bekend Nederlands gezegde luidt: wie wind zaait zal storm oogsten. Phlip Visser heeft aanvankelijk wind gezaaid met zijn initiatief voor de verhuizing naar Enschede, hij heeft daarmee storm geoogst, maar hij heeft tevens zijn mensen op bekwame wijze door die storm heen geloodst.' 'De toekomst van BJ-Twente in Enschede zie ik als heel interessant, gelet op het initiatief in de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening om Enschede en Hengelo tot stedelijk knooppunt te maken. De ontwikkeling van beide steden wordt daarmee direct gekoppeld aan nieuwe economische mogelijkheden. Het is van belang dat BJ- Twente bereid en in staat is zijn partijtje straks mee te blazen, zowel richting jeugdhulpverlening als richting onderwijs en bedrijfsleven. Er verandert nogal wat in het karakter van de samenleving in de komende tien jaar. Soms ten gunste, soms in ongunstige zin. Al deze ontwikkelingen hebben ongetwijfeld betekenis voor de taken en methoden van werken in de jeugdhulpverlening. Een flexibele, professionele organisatie als BJ- Twente zal daar niet alleen gaarne, maar ook adequaat op weten te reageren.'
|